De kleine wereld van Marianne Boissevain
"Ni regret du passé, ni peur de l'avenir"
"Net een lul in een rokje, noemt ene Bernard P. hem kleinerend in een limerick."
Dat is een van de zinnen waarmee Marianne Boissevain (ooit het boegbeeld van wat de zich 'kwaliteitskrant' noemende Volkskrant 'fatsoensmoraal' noemde) de lezer ertoe probeert te bewegen haar kleine wereld (VK 18-10) binnen te stappen.
De kleine wereld, zo noemt zij haar journalistieke bijdrage: 'klein', maar wel 'werelds', woorden waar je best eens over na mag denken.
De meeste mensen willen namelijk groot en wereldvreemd zijn. Ze verstoppen zich in luchtkastelen die met grote bossen prikkeldraad op een zodanige wijze van gewone mensen worden afgeschermd dat het grote onwereldse leven erdoor wordt teruggebracht tot een bekrompen, duister, geestdodend niemandslandje, waarin de ene niemand alleen maar andere niemanden ontmoet, zonder dat ooit een van die niemanden op de gedachte komt zichzelf te vraag te stellen hoe het toch komt dat vanuit een vreemde geheimzinnige buitenwereld rare iemanden steeds aan stenen gebonden briefjes het afgesloten bolwerk inwerpen met daarop de geheimzinnige tekst: "Wordt eindelijk eens iemand".
Iemand worden is de essentie van geestelijke ontwikkeling. En daarbij maakt het niet uit of je groot of klein bent.
Ikzelf heb vanwege gezondheidsproblemen en de daaruit voortvloeiende (relatieve) armoede altijd genoegen moeten nemen met een bescheiden plaatsje in de marge.
Ik kon mezelf geen grote dromen permitteren, heb een keer in mijn leven een grote droom gehad - als homo smoorverliefd worden op een zich ‘christelijk’ en ‘hetero’ noemende jongen in een gereformeerd dorp - en heb daar een bijzonder hoge prijs voor moeten betalen, omdat het omvermogen werkelijk contact te maken de geweldige liefdesgevoelens deden ontaarden in een ronduit pathologische realiteitsontkenning, die je het best zou kunnen typeren met de woorden zoete waanzin.
Uit ervaring weet ik daarom dat de fantasie en de droom er met een mens vandoor kunnen gaan, en dat het uitermate moeilijk is van die dromen afstand te doen terwille van een realiteit die vergeleken bij de droomwereld koud, hard en isolementbevestigend is.
Wie in een liefdeskasteel heeft gewoond blijft eeuwig ontevreden in een wereld waarin diepgaande, alle zintuigen prikkelende liefde nauwelijks als iets belangrijks wordt ervaren.
Het besef van liefde is er en zal nooit verdwijnen. Wie de overgang van zwart wit televisie naar kleurentelevisie heeft meegemaakt zal ongeveer kunnen begrijpen wat het verschil is tussen een liefdeloze wereld en een wereld waarin alles liefde is.
En dan kun je wel zeggen dat het allemaal voor de gek houderij is, maar het is wel een bijzonder mooie vorm van voor de gek houderij, zoete waanzin dus, die alleen maar daarom ontaardt in ziekelijke gekte omdat de liefde niet de kans krijgt contact te maken met het object van de liefde, de lieve ander, die gevangen zit in een niemandsland.
Wanneer de wereld normaal zou zijn geweest (onschuldig of kinderlijk) zou er weinig aan de hand zijn geweest.
Je nodigt mensen die heel duidelijk reageren op je liefdesgevoelens uit via een briefje of een bosje bloemen en je hebt contact. Simpeler kan het niet...
Maar waar mensen ontkinderlijkte niemanden zijn geworden roepen gevoelens die van hen iemanden willen maken verzet op. Wat jij als mooi ervaart wordt door de ander gezien als een duivelse poging hem een wereld van slechtheid en onfatsoen in te trekken, zodat liefde wordt beantwoord met blinde haat, een proces dat jou ziek en zwak maakt en de hatende ander sterk en gezond.
Dat is de reden waarom de kinderlijke eenling die liefde heeft gekend nooit akkoord zal kunnen gaan met het heilig en onveranderlijk verklaren van een liefdeloze volwassenenwereld, omdat die liefdeloze volwassenen hem het lot van eeuwig vreemdelingschap opdringen: een trieste figuur, die ondanks het feit dat hij immense liefdesgevoelens in zichzelf herbergt in de op haat gebouwde wereld van de samengeklonterde geïsoleerde niemanden altijd eenzaam en alleen moet zijn.
Niemanden bouwen een schijnwereld op, zoals ook ik als smoorverliefde eenling uiteindelijk een fantasiewereld op ging bouwen, waarin de ander ging functioneren als de gevangen zette prinses die door de koene ridder die ik was gered moest worden.
Uit die verwarrende tijd stamt mijn belangstelling voor de religieus-gnostische verlossermystiek, want zoals alles in het leven heeft gekte ook zijn positieve kanten…: je wordt losgeslagen uit alles wat je als vertrouwd en normaal ervoer en komt terecht in een wereld waarin je als het ware opnieuw moet leren lopen, praten en denken.
Liefde verliezen is voor elk mens een negatieve ervaring. Ik heb een tante gehad die zo verdrietig was na de dood van haar man dat ze hem ging achtervolgen met verwijten. ‘Waarom heb je me dit aangedaan’. ‘Hoe kon je zo verschrikkelijk wreed zijn’. ‘Wat een monster ben je’. 'Dit heb ik niet verdiend...’
Het object van liefde werd, omdat het niet gemist kon worden, een object van haat, hetgeen bewijst dat liefde en haat gevoelens zijn die zo dicht bij elkaar liggen dat je voorzichtig moet zijn met het opsplitsen van de wereld in dualistische, onverzoenlijke tegenstellingen, eilanden of getto's, waarin geen mens meer in staat is de pijn van het verlies te verzachten, zodat verliezen gezien wordt als de duivel die bestreden moet worden met ‘glorie en victorie’.
Wie altijd leert dat verlies eeuwige, onveranderlijke pijn en eenzaamheid is, die zal nooit en te nimmer afstand doen van zijn bezit, hoe schraal en armetierig het er ook uit moge zien.
Op die waarheid berust de leer van Gurdjieff, een spirituele goeroe die op een indirecte wijze centraal staat in de pre-revolutionaire literaire wereld van Harry Mulisch.
De schrijver Harry Mulisch bestaat uit twee personen: de spirituele schrijver van voor de morele revolutie, een schrijver met een eigen kleine wereld, en de moralist van na de linkse revolutie, de grootheidswaanzinnige die in een ouderwets kasteel een ouderwets-moralistische hemel ontdekt.,
De spirituele schrijver (spiritualiteit is kleinburgerlijke moraal overwinnen) was een immense fantast, hetgeen goed schrijverschap volstrekt niet in de weg staat, omdat schrijvende fantasten in het algemeen het tegendeel van saaie, droogkloterige fatsoensdenkers zijn.
Zelfs de burgermansfantast Heinrich Himmler bezat dankzij zijn fantasie trekjes die hem in positieve zin onderscheidden van Hitler. Wie de kille, strak vormgegeven monumentaal-architectonische wereld van Hitler bekijkt, die vat onmiddellijk sympathie op voor de malle fantasieconstructies van Himmler, die van zijn SS een soort mystieke verlossersorganisatie wilde maken, waarbij de leiding in handen zou moeten worden gelegd van een modern rondetafelgenootschap, die het zoeken naar de heilige graal (de beker waarin het bloed van Jezus zou zijn opgevangen) als hoogste waarde diende te hanteren.
Hitler moest (ondanks zijn Wagner-verering) weinig hebben van de dromen van Himmler, was in feite een niemand in zijn eigen niemandsland, zoals de meeste mensen temidden van vrienden en kennissen de gevangenen van hun eigen niemandsland zijn.
Hitler wordt algemeen gezien als een autoritaire dictator, maar goed beschouwd verdient hij die benaming niet. In feite was de nazi-organisatie een ongeregeld rommeltje. Himmler ging zijn eigen gang, miste als fantast de noodzakelijke, begrenzende rem van het autoritaire leiderschap, Julius Streicher maakte van zijn poging het autoritaire Ezraistische jodendom belachelijk te maken een fanatieke, humorloze schertsvertoning. Goebbels heerste als cultuuraanbidder in zijn eigen besloten diva-wereldje. Goering maakte een soort Beierse travestiekoning van zichzelf en binnen die merkwaardige stoet van bonte personages was er eigenlijk niemand die van al die grootheid bewonderende niemanden sinpele, doodgewone 'iemanden' kon maken.
Grenzenopheffende vriendschapsbanden, anders gezegd, bestonden er binnen die wereld niet. De enige die werkelijk liefde voelde voor Hitler was Goebbels, een dweepzuchtige aanbidder die niet alleen ontzag voelde voor Hitler's charismatische autoriteit, maar die op zo’n indringende wijze gevoelsmatig geraakt werd dat hij als jonge volgeling de overtuiging uitsprak 'die man altijd als God te zullen aanbidden', een hyperromantisch liefdesverlangen (te vergelijken met Theo van Goghs Fortuynaanbidding) dat binnen een homo-erotische liefdeswereld de grootheidswaanzin had kunnen vernietigen, maar dat binnen de liefdeloze vormenwereld van het nationalisme ontaardde in de grootheidscultus rondom een tot 'God' uitgeroepen 'Fuehrer'.
Wie het hierboven afgebeelde horoscoopplaatje van Goebbels bekijkt ontdekt dat de twee watertekens Kreeft en Schorpioen (de tekens van de allesomvattende liefde en de masochistische overgave) een dominante rol spelen.
In de horoscoop van Hitler daarentegen speelt naast de tekens Stier (Zon) en Schorpioen (Ascendant) het Saturnale teken Steenbok een grote rol. De horoscoop van Hitler staat daarom (astrologisch gezien) in het teken van de dood (Saturnus-Pluto).
De Steenbok-Schorpioen mens krijgt (zo stellen astrologen) altijd als taak mee hervormings- en transformatieprocessen in de maatschappij te leiden of te begeleiden.
De Steenbok kan daarbij te kil en te eigengereid te werk gaan, zodat het de taak van het teken Kreeft is op een zorgzame wijze het transformatieproces te begeleiden.
Dat alles is alleen mogelijk in een wereld waarin mensen in staat worden gesteld los te breken uit het op grootheidswaanzin gebouwde niemandsland van het moralistische denken.
Juist het onvermogen het kleine te bewonderen maakte van Hitlers vooruitgangsgeloof (het duizendjarige rijk van voorspoed en vrede) een monsterlijke utopie.
De wereld die hij schiep zou je kunnen zien als de ontkenning van de vrouwelijk-chaotische fantasiemens, die Himmler, ondanks het feit dat hij een immens politieapparaat in het leven riep, was.
Met andere woorden: het nationaal-socialisme was als op grootheidswaan gebouwde utopie een immens niemandsland, waarin kleine eilandjes rond dreven, waarop de nazi-bonzen hun eigen persoonlijke droomwereldjes opbouwden, wereldjes die elk op zichzelf gezien niet fascistisch waren, maar die binnen de collectivistische wereld van de utopie zo immens klein waren, dat de bewoners ervan de slaaf werden van de Golem-achtige constructie die 'de Duitse staat' uiteindelijk werd.
Dezelfde tragiek tref je aan in Israël. Daar dreigt de ‘heilige staat’ religie individuele joden te reduceren tot bewoners van nietszeggende niemandslandjes. Zodat je zou kunnen stellen dat de keuze voor 'een kleine wereld', zoals Marianne Boissevain dat doet, een uitstekend middel is om het gif van het grootheidsdenken te lijf te gaan.
Binnen het kleine wereldje van Marianne kunnen zinnen tot leven worden gewekt die binnen de utopistische wereld van de grootheidsaanbidders nimmer zullen worden gebruikt.
Wanneer zij spreekt over 'een lul in een rokje', in een artikeltje dat de enigszins onfatsoenlijke (want hard moralistisch klinkende) titel: "Stinkende fallus maakt tongen los' draagt, dan wijst zij daarbij niet op een verwijfde travestiet die vanwege lullig gedrag kwaadheidgevoelens in haar heeft losgemaakt (want zo is zij niet, zij is de liefde en de tolerantie en de verdraagzaamheid zelve...; zegt men…), maar dan doet zij niets anders dan de lezer op een welhaast anarchistisch aandoende wijze in kennis stellen van het bestaan van een plant die er uitziet als… een lul in een rokje...
Kan het kleiner en gewoner? Ik dacht het niet. En daarom heb ik het betreffende stukje tekst (ondanks de aanwezigheid van de vieze titel er boven) met aandacht gelezen.
Welk mens vindt het niet leuk om een plant (‘de reuzenaronskelk’) te kunnen bekijken die op een penis lijkt?
Vroeger, als kind, bezocht ik tijdens de kermisweek in Zwolle altijd een tent met 'extremalia' (een woord van mijn vader). Mijn vader was dol op die tent met bizarre rotzooi en troep, en als acht- negenjarig jochie sjokte ik braafjes met hem mee, hoewel ik baby’s met twee hoofden, drijvend in een flesje, en gedroogde mensenhoofden aan een touwtje en meer van dat soort vieze voorwerpen helemaal niet echt aantrekkelijk vond. Diep in mijn hart ben ik het tegendeel van ‘de vieze man’.
Dat is ook de reden waarom dat woordje 'stinkende fallus’ me afkeer inboezemt. Een lul is leuk, zolang ie niet begint te stinken, want ondanks het feit dat ik me soms een nogal vrij woordgebruik permitteer heb ik een immense hekel aan stank.
Ik surf regelmatig op internet en daar tref je in de homochatboxen de vreemdste mensen met de meest wilde voorkeuren aan. Ik ben daarom ook voortdurend op mijn hoede, en kerels die van stinkende zweetvoeten en stinkende lullen houden mijd ik als de pest.
Marianne Boissevain daarentegen schijnt op stank te vallen, gezien de merkwaardig kwaliteitsloze titel boven het stukje: ’Stinkende fallus maakt tongen los'
Van mij mag ze hoor, en mannen die op stinkende lullen vallen zijn, zo heb ik ontdekt, best wel slimme praters en schrijvers, maar ik moet er niks van hebben.
“Was je pik eens!”, zeg ik altijd tegen lui die stank in hun onderbroek herbergen. Want er zijn mannen die werkelijk elke vorm van hygiënisch fatsoen missen, waar het hun lul dus betreft…
Maar omdat dit stukje eigenlijk helemaal niet over echte lullen mag gaan, omdat het een bespreking is van een artikel over een aronskelk die op een penis lijkt, daarom ga ik daar maar liever niet verder op in - om te voorkomen dat ik als mannelijke bespreker van een aan planten gewijd vrouwenartikel een ‘vrouwenhatende seksist' zal worden genoemd…