Franz Kafka in gesprek met Gustav Janouch
Commentaar WD 2004
"Alles vaart onder valse vlag, geen enkel woord beantwoordt meer aan de waarheid. Ik - bijvoorbeeld - ga nu naar huis. Maar dat lijkt maar zo. In werkelijkheid ga ik een speciaal voor mij ingerichte kerker in, die nog des te afschuwelijker is omdat hij op een heel gewoon burgerhuis lijkt en door niemand - behalve door mij - als een gevangenis wordt beschouwd..."
Franz Kafka is een meester in het beschrijven van de geheimzinnige, vijandige wereld waarin een enkeling terecht kan komen. Zonder dat hij iets heeft gedaan wordt hij door een vreemde, anonieme overheidsinstantie ter verantwoording geroepen, omdat er beschuldigingen tegen hem ingebracht blijken te zijn - zo vreemd en onverklaarbaar en volstrekt abstract ook, dat er maar n enkel woord op van toepassing verklaard kan worden: het vreemde, duistere woordje 'absurd'.
Een zinloze, volstrekt absurde wereld, waarin onschuldige, eerlijke en integere mensen zichzelf plotseling aantreffen als 'beklaagde', dat is de wereld van Franz Kafka. Wat altijd verborgen was openbaart zich ineens: een primitief collectief systeem dat zondebokken nodig heeft, onschuldige mensen die bestraft moeten worden en die daarom worden opgenomen in registers, waarvan de inhoud niet te achterhalen valt, hoeveel moeite men ook doet.
Protesteren is zinloos. Vluchten is niet mogelijk. Heel alleen staat de enkeling tegenover de aanklagende instanties en geen mens zal het wagen hem te helpen, omdat men bang is dat het systeem ook de hulpverlener in staat van beschuldiging zal stellen.
Zinloze, absurde beschuldigingen en onverdiende straffen, meer heeft de wereld de intelligente, gevoelige, naar waarheid zoekende mens niet te bieden. Dat, zo stelt Franz Kafka, is het lot van de enkeling - een schandalig lot, waar hij zich eigenlijk tegen te weer zou moeten stellen, ware het niet dat hij achtervolgd wordt door een gruwelijke zwakte - een ontwrichtend gevoel van hulpeloosheid, machteloosheid en uitputting.
Alles wat lomp en sterk is staat tegenover hem. Onbevreesd staren de sterken hem aan en ze barsten in luid lachen uit wanneer hij hen confronteert met woorden als 'recht', 'eerlijkheid' en 'waarachtigheid', heel begrijpelijk natuurlijk, omdat de sterke mens zichzelf alleen kan handhaven in een wereld waarin chaos, willekeur en zinloosheid de hoogste waarden zijn.
Zie ook: Kafka & de ontspoorde vader
Voor De Wet - Franz Kafka
Voor de wet staat een poortwachter. Een man van het platteland komt naar deze poortwachter en vraagt om tot de wet te worden binnengelaten. Maar de poortwachter zegt, dat hij hem nu niet kan toestaan naar binnen te gaan. De man denkt er over na en vraagt dan, of hij later zal mogen binnengaan. "Dat is mogelijk", zegt de poortwachter, "maar nu niet." Omdat de deur tot de wet zoals altijd openstaat en de deurwachter opzij stapt, bukt de man zich om door de deur naar binnen te kijken. De deurwachter merkt het, lacht en zegt: "Als het je zo trekt, waarom probeer je dan niet toch naar binnen te gaan, ondanks mijn verbod. Maar vergeet niet: Ik ben machtig. En ik ben alleen nog maar de laagste poortwachter. Er staan echter van zaal tot zaal poortwachters, de een nog machtiger dan de ander. De aanblik van de derde kan ik zelfs niet meer verdragen.
Zulke moeilijkheden had de man van het platteland niet verwacht; de wet zou toch voor iedereen en altijd toegankelijk moeten zijn, denkt hij, maar als hij de poortwachter met zijn pelsjas beter bekijkt, zijn grote, spitse neus, de lange, dunne, zwarte, tataarse baard, besluit hij toch maar liever te wachten tot hij toestemming krijgt om naar binnen te gaan. De deurwachter geeft hem een krukje en laat hem naast de deur zitten. Daar zit hij dagen en jaren...
Wie de uitspraak 'voor de wet is iedereen gelijk' naast het hierboven weergegeven stukje prozatekst van Franz Kafka legt zal inzien dat bij Kafka de bevrijdende, anarchistische component van de wet volledig ontbreekt. De wet is verworden tot een onbewandelbare weg, die voorzien is van obstakels die als onoverkomelijk worden voorgesteld. De wet, met andere woorden is onbereikbaar geworden, zodat de vertwijfelde zoeker weinig meer durft te doen dan stilletjes plaatsnemen op een klein stoeltje naast de poort die toegang dient te bieden tot de wet, een poort die altijd openstaat, maar die toch niet open is, omdat een vreemde macht er een wachter voor heeft geplaatst.
Hoewel tekstuitleggers de meest waanzinnige verklaringen aan dit simpele stukje proza verbinden wordt nooit gewezen op het feit dat er hier sprake is van twee werkelijkheden: de wereld van de wet en de wereld van de poortwachter, die macht uitoefent over mensen. Met andere woorden: de mens die op zoek gaat naar de wet wordt tegengehouden door de macht (de poortwachter) die zichzelf boven de wet heeft geplaatst. De poortwachter maakt van de wet een onbereikbaar ideaal, waar het altijd open staan van de poort er toch op wijst dat de werkelijke hoedanigheid van de wet het volledig toegankelijk zijn voor alle mensen is. (Uit: Voor de wet is iedereen gelijk)