De Teddybeer van Chrisje


uit: 'Revolutie in het Gekkenhuis' van Wim Duzijn


Paginaformaat: 100% - 125% - 150%   -   Achtergrond: Grijs - Blauw - Wit
Letterformaat:    


Geen enkel moment liet hij zijn Teddybeer los. Dag en nacht hield hij de grote, wollige beer vast en niets en niemand was in staat hem zijn zachte speelkameraad af te nemen. Nee, die beer, die was alles voor hem - en het was ook zo'n mooie beer, en zo zacht en met zo'n heerlijke, dikke vacht, waar je je hoofd liefkozend tegen aan kon drukken - en iedere keer wanneer Chrisje hem achter zijn ronde, harige oren kietelde, dan was het alsof hij lachte, ja echt: heel vrolijk en uitgelaten, en dat vond Chrisje zo verschrikkelijk mooi, dat hij de wereld om zich heen vergat.

Zijn moeder keek met een mengeling van jaloezie en nieuwsgierigheid toe. Diep in haar hart gunde ze Chrisje zijn plezier niet en het was waarschijnlijk daarom, dat ze Chrisje, samen met zijn onafscheidelijke berenvriendje, meenam naar een zenuwarts.

"Hij praat met zijn beer", vertelde zijn moeder de arts, "hij gaat er mee naar bed, en zelfs aan tafel, als we eten, zit de beer op zijn schoot. Vindt u dat niet vreemd?"
En terwijl ze dat zei hoopte ze vurig dat de dokter 'ja' zou zeggen, want hij moest het gedrag van Chrisje raar vinden, dat wilde ze, want ze was zo jaloers geworden op die beer, dat ze het 'vieze, pluizige gevaarte' wel aan stukken kon scheuren, maar dat vertelde ze de dokter natuurlijk niet, want als ze dat zei, dan zou hij haar misschien ego stisch vinden en dan zou die 'vieze beer' nooit uit haar leven verdwijnen.
Nee, die beer moest dood, kapot, aan flarden worden gescheurd, maar dan op zo'n manier, dat iedereen haar gedrag goed zou keuren, zodat ze zouden zeggen:
'God mevrouw, wat bent u een goede, zorgzame moeder.., u, mevrouw, u heeft wat over voor uw kind...'

Een goede moeder, dat wilde ze zijn, dat moest ze ook zijn, en daarom keek ze vertrouwensvol op naar de dokter, die, dat wist ze eigenlijk wel zeker, haar gelijk zou geven.
En de dokter keek op zijn beurt haar aan, heel ernstig en gewetensvol, zoals een goede dokter dat volgens de doktersboeken behoort te doen, en hij wierp een blik vol minachting naar Chrisje, die zwijgend op zijn stoel zat, de Teddybeer stevig tegen de borst gedrukt.
'Wat een infantiele jongen', dacht hij bij zichzelf, 'dat zit daar maar met een Teddybeer, de stomme idioot..', en hij wreef een aantal malen met zijn wijsvinger langs zijn neus en zei op een heel gewichtige wijze tegen de moeder van Chrisje:
"Kijkt u eens mevrouw, naar mijn mening gaat het hier om een geval van ziekelijke eigenliefde, pathologisch narcisme, zoals wij dat in ons m tier nomen, een onvermogen zou je kunnen stellen om liefdesgevoelens op een normale wijze te uiten, zodat als het ware een soort surrogaatbevrediging wordt gezocht...; begrijpt u?
Ik wil u er echter uitdrukkelijk op wijzen die jongen niet te duidelijk te laten merken dat u zijn gedrag abnormaal vindt, want in het geval van dergelijke ziekelijk-narcistische kinderen", en bij die woorden wierp hij een duistere blik op Chrisje, "is het bijzonder moeilijk om toegang te vinden tot hun beperkte wereldje, omdat zulke kinderen met hun ziekelijk-overgevoelige aard zich heel snel afwenden van de wereld om hen heen..."
En weer schoof zijn recht omhoog priemende wijsvinger heen en weer langs zijn neus en vol wrevel keek hij vanuit zijn reusachtige leren bureaustoel neer op Chrisje, die zonder enige schaamte zijn Teddybeer streelde en meer dan ooit een hekel kreeg aan volwassen mensen, die zo minachtend en kwaad naar hem keken, alsof hij een stout kind was, dat alleen maar straf verdient.

Zijn moeder echter had met groeiende belangstelling toegehoord en ze was bijzonder tevreden, omdat alles wat de dokter zei haar eigen mening bevestigde, en ze begreep dat hij haar een 'goede moeder' vond en alles zou doen om samen met haar de strijd aan te binden tegen die 'vieze, pluizige beer'.
Vechten zou ze, alles zou ze doen om die beer te vernietigen, want Chrisje was van haar, haar eigendom, en het zou toch te gek zijn als een simpele speelgoedbeer die keiharde waarheid ongedaan zou kunnen maken.
Ja, daarom was ze dolblij dat de dokter het gedrag van Chrisje ziekelijk vond en het met haar eens was dat hij zich niet terug mocht trekken in zijn eigen wereld, want die wereld was slecht en moest hem daarom worden afgenomen - heerlijk vond ze dat. O, ze had de man wel kunnen zoenen, zo gelukkig was ze, want nu kon ze zonder schuldgevoelens Chrisje zijn beer afnemen en hem een pak slaag geven wanneer hij zich zou verzetten tegen het wegnemen van zijn knuffeldier.
Alles zou nu weer goed worden: Chrisje zou normaal buiten spelen en gewoon 'mama' zeggen, en ook een keertje 'papa', alles op zijn tijd natuurlijk, en hij zou, net als zij, vol minachting neerkijken op poppen en beren en altijd haar grote, sterke jongen zijn, want daarvoor had ze hem tenslotte op de wereld gezet:
Als een blijvend houvast in het leven, een 'spiegeltje aan de wand', dat haar alle jaren door tot de mooiste vrouw van het land diende uit te roepen...

O, die beer, die afgrijselijke beer, die kwam zomaar ineens alles verstoren. God, wat haatte ze dat smerige beest. Maandenlang had ze gevochten tegen haar haatgevoelens, machteloze haatgevoelens overigens, want wat kon ze beginnen tegen een Teddybeer?
Als Chrisje nu met een man was opgetrokken die van kinderen hield, ja, dan had ze het gemakkelijk gehad, want mannen die van kinderen houden waren in de ogen van de mensen ziekelijke, zielige figuren, die gevangenisstraf of misschien nog wel iets veel ergers verdienen, maar een beer, grote god, dat was een zacht beest, een knuffeldier, iets moois eigenlijk, en iets dat mooi was kon ze toch niet haten?
En nu, nu was er een dokter, een maatschappelijke autoriteit, die haar haatgevoelens rechtvaardigde, er zijn goedkeuring aan verleende door de beer in een ziektebeeld in te passen en daarmee kon ze alles doen wat ze wilde, had ze vrij spel en kon ze rustig haten, want de Teddybeer was niet langer mooi, nee, hij was eindelijk geworden zoals ze hem wilde hebben:
Een vieze, weerzinwekkende pluiskop, die vernietigd moest worden, net als die schofterige, perverse kinderlokkers, die maar niet wilden aanvaarden dat kinderen het eigendom zijn van hun ouders; 'en je meubilair', zo redeneerde ze, 'liet je toch ook niet stelen door de een of andere smerige misdadiger?'

Tevreden blikte ze neer op haar bezit, maar dat 'bezit' had alleen oog voor zijn Teddybeer, dat lieve, zachte knuffelbeest, dat niets van hem eiste, dat hem zonder meer zijn zachtheid gaf en hem niet lastigviel met voetballen, vreemde woorden en andere grote-mensen-zaken, die hem afkeer inboezemden, omdat ze in strijd waren met dat ene, grote verlangen in hemzelf:
Zacht zijn, alleen maar lief en zacht en teder zijn...

Zodra hij de beer los zou laten, die prachtige, wollige beer met zijn lieve, zwarte kraalogen en zijn grote, harige oren, zou hij verloren zijn, dat voelde hij, ja, dat wist hij, met steeds grotere zekerheid.
O, waarom wilden de volwassen mensen hem niet met rust laten? Waarom keken ze op hem neer en sleepten ze hem mee naar kille, ongezellige wachtkamers en grote, hopeloos saaie kantoren, waar hij bekeken werd alsof hij een stom, dood voorwerp was, een stoel, waarmee je alles kunt doen: Afschuren, lakken, schoon boenen, in de was zetten, in de hoek schuiven, naast de tafel en ga zo maar door...; alleen maar omdat zij daar toevallig zin in hadden.
Waarom bemoeiden ze zich niet met zichzelf? Hij dwong hen toch ook niet hun verschrikkelijke volwassen wereld vol onredelijke haat- en jaloeziegevoelens te verlaten?
God, dat ze zich niet schaamden. Dachten ze soms dat hij niet wist wat er om hem heen gebeurde? Hij hoorde toch hoe ze van hem iemand wilden maken die net zo was als zij...
Het kwam niet eens in hun hoofden op dat hij gek wilde zijn, dat hij gek moest zijn, omdat dat de enige manier was om zacht en teder te kunnen zijn in een wereld van 'gewone, normale mensen'.

Normale mensen waren kei- en keihard, dat wist hij, en daarom zou hij zijn Teddybeer nooit loslaten, ook al was hij dertien jaar oud en keek iedereen met spot en minachting op hem neer.
Dertien jaar, dat was hij een paar weken geleden geworden, maar zijn ouders hadden de verjaardag niet gevierd, omdat ze zich schaamden voor familie en kennissen; niemand had immers zo'n zonderling kind?
Nee, al zijn neven en nichten waren gezonde kinderen, die lid waren van een voetbal- of hockeyclub, die naar disco s gingen en die het fijn vonden om straks, net als hun ouders, een gezin te stichten en kinderen te maken, zodat niemand het in zijn hoofd zou halen hen raar of zonderling te vinden.

God, wat was dat hem ineens duidelijk geworden. In alle helderheid had hij het gevaar gezien en hij was zo ziek geworden van die krankzinnige wereld om hem heen, waar iedereen de anderen maar na apte, dat hij de grote Teddybeer uit de kast had gepakt, met het vaste voornemen hem nooit meer los te laten.
Wat ook de anderen zouden doen, hij zou niet toegeven, want hij had begrepen dat hun wereld een lelijke, onmenselijke wereld was, waarin hij niet kon leven, en het enige middel dat hij bezat om zichzelf te blijven was die beer, die lieve, zachte beer, die vroeger in bed naast hem lag, zonder dat iemand het raar vond, want hij was nog maar een kind en de beer was volkomen onschuldig, want het was geen jongen en geen meisje, nee, gewoon iets liefs en zachts, zoals hij nu ook iets liefs wilde hebben, iets of iemand om te strelen en te knuffelen, want hij Chrisje, hij had liefheid en zachtheid nodig, zoals een ander zuurstof nodig heeft, waarom zagen ze dat niet in?

Wat moest hij met een gezin? Wat met kinderen? Hij wilde helemaal geen kinderen hebben, nee, hij wilde zelf een kind zijn, in de armen van iemand anders, en als dat gek of zonderling was, wel, dan zou hij gek en zonderling zijn, ook al zou men hem opsluiten in een gekkenhuis - dat kon hem niks schelen, want wat was een leven zonder echte Liefde?
Vader zijn en dag in dag uit met een chagrijnige kop door het huis lopen, scheldend op het lawaai dat de kinderen maken, of moeder spelen en steeds maar tegen je kinderen zeggen: 'Jij bent mijn grote, sterke jongen', moest dat dan het uiteindelijke levensgeluk zijn van een mens? Nee, dat kon en wilde hij niet geloven...
's Nachts, wanneer hij in bed zomaar wat voor zich uit staarde hoorde hij zachte stemmen, die hem wezen op het bestaan van een andere wereld, waarin Liefde en Vriendschap nog belangrijke zaken waren, en hij voelde dat die stemmen hem wilden helpen, zodat hij vol aandacht luisterde.
Die stemmen vertelden hem dat hij zijn Teddybeer moest pakken en ze zeiden ook dat hij moest zwijgen, dat hij geen enkele discussie moest aangaan met de volwassen mensen om hem heen, omdat die mensen volledig verstokt waren in hun harde onmenselijkheid en elk spoortje verlangen naar werkelijke zachtheid verloren hadden, zodat ze maar een enkel doel kenden: Hem bang maken en vernietigen.

Eerst was hij een beetje bang geweest voor de stemmen in zijn hoofd, maar toen die eigenaardige fluisterstemmen alleen maar spraken over zachtheid en tederheid en hem duidelijk maakten dat de volwassen mensen keiharde ego sten waren die in feite niets over hadden voor hun kinderen, toen had hij hun zijn vertrouwen geschonken en zich voorgenomen zijn leven alleen nog maar in dienst te stellen van die ene boodschap die zij verkondigden: Kinderlijke Tederheid.

En daarom zat hij nu bij een zenuwarts, samen met zijn moeder, en hij wist dat de dokter hem inwendig uitlachte en hem bespottelijk vond, maar hij klemde de lippen met grimmige verbetenheid op elkaar en nam zich voor niets, maar dan ook helemaal niets te zeggen.
Ze konden doodvallen met hun volwassen flauwekul. Desnoods zou hij tot aan zijn dood blijven zwijgen, maar hun zin zouden ze niet krijgen; niet bij hem in ieder geval.
En hij luisterde naar de zacht gefluisterde woorden, die uit de mond van de Teddybeer leken te komen en hij drukte de beer nog steviger tegen zich aan, de hele wereld om zich heen vergetend.
De dokter schudde hem aan de schouders heen en weer, maar hij reageerde niet en klemde zich vast aan de wollige beer, die alleen maar warmte scheen uit te stralen, een heerlijke, weldadige warmte, die hem vervulde van de zoetste gevoelens.
"Lief knuffelbeest", fluisterde hij verrukt, "mijn allerliefste Lieverdje van me..", en hij scheen niet te merken dat zijn moeder in huilen uitbarstte.

"Wat moet ik nu beginnen?", stamelde ze, en ze keek de dokter aan met een blik, waaruit een mengeling van diep verdriet en intense woede sprak. Maar de dokter was niet in staat haar te helpen, want hij kende in gevallen als deze maar een enkel antwoord: 'Kliniek', het grote toverwoord, waarmee iedere ziekte en elk emotioneel verlangen bestreden kan worden.
En de moeder van Chrisje huilde nog erbarmelijker, vervuld van intense haat en woede, omdat zij instinctief voelde dat de Teddybeer, dat gehate beest, zijn eerste slag had gewonnen: Hij had haar Chrisje afgenomen.

Chrisje echter zweeg. Hij wist maar een ding: Niet reageren, net zo lang de mond houden, tot hij in staat was op eigen benen zijn weg te gaan in het leven, zijn eigen weg, die hij nu al aan de mensen liet zien:

De Weg van de Grote, Zachte Teddybeer.