Over ijdelheid en
het najagen van de wind

Calvinisten aan de macht

anarcho-liberale verhandelingen

Dat ons kleine landje calvinistisch is weten we.
Dat zich 'links' noemende mensen ook graag koketteren met 'het calvinisme', dat is een waarheid die eigenlijk nooit gemeengoed is geworden. De meeste mensen hebben nog steeds het vage idee dat 'link's iets bevrijdends is, iets dat ons leven wil verrijken met mooie idyllische vergezichten en romantische landschappen. Het tegendeel is het geval.

Een fraai voorbeeld van een links idool dat weinig eigenschappen bezit die de kwaliteit "idool' tot leven kunnen wekken is Volkskrantcolumnist Jan Blokker, een schrijver, die voornamelijk kleine, literair getinte stukjes in de Volkskrant plaatste, en die daaraan de titel columnist ontleende.
Het is een beroep, 'columnist', een bezigheid waarmee een mens de kost verdient, en als zodanig eigenlijk niet de moeite van het vermelden waard. Met hard noest werken word je echt geen idool...
Opmerkelijker is dat hij ooit adjunct-hoofdredacteur was van de van oorsprong katholieke Volkskrant, en dat hij zich in latere tijden ontpopte als een anarcho-liberaal, die - naar eigen zeggen - het liefst gekleed zou willen gaan in een degelijke, zwarte calvinistenjas .
In die tijd was het mode in het wereldje van linkse intellectuelen om jezelf af te zetten tegen alles wat vrolijk, zweverig, frivool en anti-calvinistisch was. Het woordje calvinist werd zelfs een eretitel. Je telde mee, als calvinist, en daarom kon je - wanneer je tenminste de moeite wilde nemen de hoofdstad van ons land te bezoeken - aan linkse dagbladen verbonden intellectuelen regelmatig aantreffen op de afgesleten trappen van het grote verzetsmonument op de Amsterdamse Dam, temidden van andere vooraanstaande vertegenwoordigers van wat men 'de Randstadcultuur' ging noemen, alwaar zij enigszins mismoedig de bijbelse zinsnede: "Alles is ijdelheid en het najagen van de wind...", voor zich heen fluisterden...

Vanuit die enigszins duistere achtergrond heeft Jan Blokker, die merkwaardige anarcho-liberaal die zo graag een anti-anarchistische calvinist wil zijn, het besluit genomen een artikel te schrijven over 'de vruchteloze agitatie van de anarchiste Emma Goldman', niet vanuit persoonlijke gedrevenheid - omdat gedrevenheid in het pessimistische wereldbeeld van een calvinist niet thuishoort - maar omdat de hoofdredacteur twee boeken op zijn kleine eikenhouten schrijfbureau heeft neergelegd, die hij ten behoeve van lezend Nederland moet gaan bespreken (tegen een fikse vergoeding uiteraard, want in calvinistenland gaat - zoals CDA-politicus Elco Brinkman dat ooit zo treffend wist te formuleren - alleen de zon voor niks op...)
Het betreft hier de boeken 'Emma Goldman, an intimate life', verschenen bij Pantheon Books, en 'Love, anarchy and Emma Goldman', uitgegeven door Holt, RhineHart en Winston.

Je zou het, om het calvinistisch uit te drukken, een tragische gebeurtenis kunnen noemen, deze boekbespreking, waarin een gepijnigde ziel ons zijn wanhoop mededeelt. Heel even gaat er een koude rilling door je heen, wanneer je wordt geconfronteerd met het peilloze lijden van deze eenzame, duistere ziel, die de vruchteloosheid van heel het menselijke handelen aan ons openbaart en terwijl de tranen je in de ogen springen, denk je bij jezelf: "Is er dan niemand die deze geketende ziel wat geestelijke bijstand wil verlenen op zijn eenzame en moeilijke levenspad?"
En terwijl die gedachte door je hoofd flitst welt er een intens gevoel van medelijden in jezelf op, een gevoel dat uitgroeit tot een ware zondvloed van emoties, wanneer je denkt aan de opeenhoping van teleurstellingen en tegenslagen die deze door het noodlot getroffen calvinistische ziel in zijn leven te verwerken kreeg, zodat je je afvraagt of het ethisch wel geoorloofd is om zo iemand in alle eenzaamheid achter te laten in de verschrikkelijke leegte van een calvinistisch tranendal.

Ach, hoe wreed kan het Noodlot de mensheid bij tijden treffen... Als een moderne Job uit het Oude Testament verschanst een journalist zich in de wankele ru ne die het anarcho-liberalisme voor hem geworden is, en hij is zo cynisch geworden dat hij achter iedere 'goede' bedoeling van de mensheid een 'kwade genius' vermoedt..., hetgeen natuurlijk niet helemaal onzinnig is, omdat daar, waar het 'goede' tot norm wordt verheven, het kwaad als een verborgen, geniepige en oncontroleerbare kracht het handelen van de mensheid gaat bepalen.
Dat blinde sadisme, dat door alle grote volksmenners uit de geschiedenis van de mensheid is aangewend voor het nastreven van hun boosaardige, op vernietiging en destructie gerichte doeleinden, moet worden blootgelegd, ook al zal de 'goede' mens alles op alles zetten om te voorkomen dat hij door de waarheidlievende enkeling als 'beul' wordt aangewezen.
Ja, de 'goede mens' zal werkelijk voor niets terugdeinzen. Moorden, vergiftigen, vernietigen, het doet er niet toe wat, alles zal hij doen om te voorkomen dat de mensen zijn ware gezicht zien. Alles kan en alles is geoorloofd, wanneer het er op aankomt waarheidlievende buitenbeentjes uit te schakelen.
In een democratische samenleving is dat natuurlijk geen gemakkelijke zaak, omdat ketters, buitenbeentjes en andersdenkenden niet zonder meer in de kerker geworpen mogen worden, zoals dat vroeger wel kon, en het spreekt dan ook vanzelf dat mensen die een valse moraal verdedigen naar andere middelen zullen zoeken, geraffineerde onderdrukkingstechnieken, die zijn verpakt in een gouden omhulsel van mooie woorden, niet te doorgronden hypocrisie en zalvend idealisme, wapens die het de tegenstander bijzonder moeilijk moeten maken zichzelf te verdedigen.
Heeft een vrijheidlievend mens in dictatoriaal geregeerde landen een duidelijk aanwijsbare tegenstander - de geheime politie, het bureaucratische partijapparaat, en meer van dergelijke door uiterst grove potentaten beheerste regeringsinstellingen - in een democratisch land heeft hij een 'onzichtbare vijand', zodat hij gedwongen is een 'stille oorlog' te voeren, een oorlog die zich voornamelijk afspeelt in zijn eigen hoofd - niet omdat hij een arme schizofrene gek is, maar omdat hij iets ziet wat de meeste anderen niet willen zien.
Wie in een democratische samenleving zegt dat de wereld hem wil vernietigen, die wordt zonder meer naar de burelen van de psychiater verwezen, waar men hem maar al te graag duidelijk zal maken dat niemand in een democratisch geregeerd land er op uit is een ander te vernietigen, zodat het tijd wordt dat er binnen de niet al te gezellige entourage van een psychologisch behandelcentrum een fikse 'gesprekstherapie' in gang wordt gezet, waarin kan worden afgerekend met het vreemde idee dat goede mensen 'slecht' zouden kunnen zijn..

En toch doet zich het vreemde feit voor dat werkelijke schrijvers en kunstenaars, onaangepaste eenlingen die geen deel uitmaken van het op aanpassing en onderdrukking gerichte collectief dat altijd en eeuwig als een troep onderdanige harlekijnen neerhurkt aan de voeten van de machthebbers, de mensen wijzen op het bestaan van sadistische, vernietigende impulsen, waaraan zij ten onder dreigen te gaan.
Ik denk daarbij niet aan Jezus van Nazareth, die met zijn felle aanvallen op het hypocriete farizee rdom van zijn tijd de eerste anarcho-liberaal kan worden genoemd, maar aan de schrijver Franz Kafka, die een meester is in het beschrijven van de geheimzinnige, vijandige wereld waarin een volmaakt onschuldige enkeling terecht kan komen.
Zonder dat hij iets heeft gedaan wordt iemand door een vreemde, anonieme overheidsinstantie ter verantwoording geroepen, omdat er beschuldigingen tegen hem ingebracht blijken te zijn - zo vreemd en onverklaarbaar en volstrekt abstract ook, dat er maar n enkel woord op van toepassing verklaard kan worden: het vreemde, duistere woordje 'absurd'.

Een zinloze, volstrekt absurde wereld, waarin onschuldige, eerlijke en integere mensen zichzelf plotseling aantreffen als 'beklaagde', dat is de wereld van Franz Kafka.
Wat altijd verborgen was openbaart zich ineens: een primitief collectief systeem dat zondebokken nodig heeft, onschuldige mensen die bestraft moeten worden en die daarom worden opgenomen in registers, waarvan de inhoud niet te achterhalen valt, hoeveel moeite men ook doet.
Protesteren is binnen dat systeem waarin mensen als het ware robot zijn geworden zinloos. Vluchten is ook niet mogelijk. Heel alleen staat de hulpeloze enkeling tegenover de aanklagende instanties en geen mens zal het wagen hem te helpen, omdat men bang is dat het blind handelende systeem ook de hulpverlener in staat van beschuldiging zal stellen.
Zinloze, absurde beschuldigingen en onverdiende straffen, meer heeft deze wereld de intelligente, gevoelige mens niet te bieden. Dat, zo stelt Franz Kafka, is het lot van de tot zondebok uitgeroepen enkeling - een schandalig lot, waar hij zich eigenlijk tegen te weer zou moeten stellen, ware het niet dat hij achtervolgd wordt door een gruwelijke zwakte - een ontwrichtend gevoel van hulpeloosheid, machteloosheid en chronische uitputting.
Alles wat lomp en sterk is staat in deze machinale wereld tegenover hem. Onbevreesd staren de sterken hem aan en ze barsten in luid lachen uit wanneer hij hen confronteert met woorden als 'recht', 'eerlijkheid' en 'waarachtigheid', omdat de sterke mens alleen zichzelf kan handhaven in een wereld waarin chaos, willekeur en zinloosheid de hoogste waarden zijn.

De meeste mensen, het doet er niet toe of ze 'links' of 'rechts' zijn, willen die harde werkelijkheid ontkennen, gedreven door angst en doodgewone lafheid, en ze proberen daarom vluchtroutines in het leven te roepen die de existenti le vragen naar de zin van het leven overbodig moeten maken.
Jan Blokker wijst in zijn recensie op het conflict tussen het individu dat 'mens' wil zijn en de kleinburgerlijke wereld van de algemeenheid, waarin van een mens wordt verlangd dat hij zichzelf blindelings opoffert, in dienst van het ideaal, de 'grote zaak', die altijd een zaak van 'het volk' is: 'Ein Volk, ein Land, ein F hrer...'
Het is die 'grote zaak', die in een anti-anarchistische wereld de mens bestaansrecht geeft. De mens is alleen dan belangrijk wanneer hij bereid is de zaak van het heilig verklaarde volk te dienen - het Duitse Volk, het Joodse Volk, het Amerikaanse Volk - en enkel en alleen het dienen van dat 'heilige volk' verschaft zijn leven zin.
Daarbuiten, in het niemandsland waar 'het volk' gewoon gemeenschap wil zijn, wordt niet gestreden voor algemene doeleinden. Daar heersen vaak eenzaamheid, kilheid en leegte, omdat de machinale mens dat gebied verlaten heeft.
De kleinburger is een 'robot', die gehoorzaam de wetten van het Noodlot volgt. Hij is een korte tijd kind, hij wordt zo heel ineens volwassen en als hij oud geworden is dan sterft hij, zoals planten en dieren dat ook doen - geen enkel verschil - en dat hoeft natuurlijk ook niet, omdat de 'grote zaak' altijd blijft bestaan!

De enkeling die anders wil zijn staat daar uiterst alleen tegenover en zelden lukt het hem te ontsnappen aan de ijzeren wetmatigheid van een zinloos 'grote-mensen'-bestaan.
Jan Blokker verwijst naar een uitspraak van de anarchist Alexander Berkman, waarin deze als stelling poneert dat de 'ware revolutionair' alle gewone menselijke gevoelens moet opofferen, zodra de 'zaak van het volk' hem roept:
"Het leven van de ware revolutionair heeft geen ander doel, geen enkele andere zin dan het te offeren op het altaar van het dierbare Volk. Revolutionair, dat betekent mens zijn, een volledig mens. Iemand zonder persoonlijke belangen of verlangens die uitgaan boven het-geen de Zaak eist: Iemand die zich bevrijdt heeft van het uitsluitend menselijke en daarboven staat."
"Vervang de Zaak door God of Allah", concludeert Jan Blokker, "en je hebt een christelijke kruisridder aan het woord gehoord, of een jongetje dat met alle geweld wil sneuvelen voor de Islamitische revolutie..."
En hij heeft gelijk natuurlijk, want de gemiddelde revolutionair is voortdurend bezig met het vernietigen van de menselijkheid, vanuit een primitief, ego stisch geluksverlangen, dat 'idealisme' wordt genoemd.
Jan Blokker vergeet dat laatste feit te vermelden. Hij maakt de opvattingen van een aantal anarchisten belachelijk, zonder de lezer duidelijk te maken dat deze zogenaamde anarchisten doodgewone kleinburgerlijke revolutiemakers zijn, te vergelijken met Iraakse, Iranese, Joodse en Marxistische gelukszoekers, die de lasten van een individueel bestaan niet kunnen of willen dragen.
De anarchisten Goldman en Berkman vernietigen in feite het anarchisme door het te koppelen aan een abstract, heilig verklaard ideaal. Ze gaan er van uit dat iemand die volledig mens wil zijn zichzelf uit moet leveren aan 'het volk', en zij weigeren in te zien dat 'het volk' een onmenselijke abstractie is, een opeenhoping van onredelijke wezens, die geen eigen identiteit bezitten.
Binnen de overkoepelende entiteit 'heilig volk' ontlenen individuen hun identiteit aan de groep. Zij plaatsen een Leider op de troon - een machtige Messias-figuur, die alle ellende af zal wentelen op degenen die 'slecht' en 'verdorven' zijn - en zij weten zichzelf 'goed', omdat de zaak waar men voor staat 'goed' is.
Dat primitieve volgelingen-principe, dat gericht is op het ontlopen van de eigen verantwoordelijkheid, zit er ingegoten bij veel mensen en de werkelijke 'leiders-figuur' zal daarom nooit dat principe aanmoedigen, laat staan bevestigen, bij zijn aanhangers.
De werkelijke leider is een man die waarlijk anarchist is, een niet-heilige man die zijn volgelingen van zich afstoot en ze belachelijk maakt, wanneer ze zijn verlangen naar vrijheid en liefde belachelijk proberen te maken.
Zo iemand praat niet over de 'heilige zaak van het volk', maar over de zaak van de vrijheid, die in de eerste plaats zijn eigen vrijheid is, zijn eigen kleinmenselijke verlangen naar wat warmte, wat liefde en geluk.
De idolenaanbidder dient de vrijheid niet. Hij wil de zinloosheid en de absurditeit van zijn 'idealistische handelen' niet inzien en hij probeert daarom zichzelf veiligheid te verschaffen in zijn baan, zijn gezin en zijn geloof.
Soms, wanneer hij alleen is, wordt hij geconfronteerd met vreemde, ontwrichtende gevoelens, gevoelens die pijn doen, gevoelens die als het ware tegen hem zeggen dat het anders moet, dat het leven meer moet zijn dan de kille sleur die het geworden is, en op zulke momenten denkt hij vol heimwee terug aan vroegere tijden, toen alles nog eenvoudig was, vol kinderlijk en simpel geluk.
Die gevoelens, die weliswaar mooi zijn, maar die vanwege het mooie karakter zeer ontwrichtend kunnen werken, probeert de niet-anarchistische revolutionair weg te stoppen. Zijn 'revolutionaire' bezigheden worden een vlucht uit de werkelijkheid en daarmee ontkracht hij zijn aanvankelijke doelstellingen en groeit hij uit tot een 'revolutionaire kleinburger', die in feite alleen maar een op aanpassing gerichte massamaatschappij dient.
De grote fout die dergelijke revolutionairen maken is dat zij niet zichzelf tot 'grote zaak' verheffen, maar dat zij zichzelf ondergeschikt maken aan het 'idool', dat hun een illusie van volledig menszijn moet verschaffen door het doden van de als 'kleinmenselijk' ervaren gevoelens in henzelf.
Het anarchisme verwordt daarmee tot een kleinburgerlijk, geestdodend streven, en de 'mens', die men zegt te dienen verdwijnt als een hoopje afval op de grote mestvaalt die het bestaan in feite geworden is.
Wie zichzelf tot 'grote zaak' uitroept zal nooit de zinloosheid van het burgermansbestaan accepteren, een zinloosheid die alleen bestreden kan worden door de volledige onderwerping aan het idool.
Wie zichzelf belangrijk vindt, wie de kilheid en de leegte als probleem ervaart, die zal op zoek gaan naar lotgenoten en die zal tekeer gaan tegen die mensen die willen verhinderen dat je werkelijk contact legt met anderen.
Dat ego stische streven brengt een mens in conflict met een onderdrukkende, de eenzaamheid aanbiddende maatschappij, en daarom wordt hij, zonder dat hij daar bewust voor gekozen heeft, een 'vrijheidsstrijder', alleen maar omdat hij toe wil geven dat hij zwak, eenzaam en ongelukkig is in een wereld die de liefde ontkent.
Dat is het verschil tussen de anarchist en de kleinburgerlijke idealist.
De kleinburgerlijke idealist wil groot en sterk en machtig zijn - daarom kiest hij voor de 'Grote Zaak', de zaak van het volk, dat massa geworden is - terwijl de anarchist alleen zichzelf wil dienen, en daarmee de zwakke, eenzame en ongelukkige anderen, die vrij willen zijn binnen een maatschappij die gemeenschap wil zijn...
Het sociaal-zijn van de anarchist is een diepmenselijk gebeuren dat 'groot' is, omdat het naast de 'Grote Zaak' van de idealist zo ontroerend 'klein' is.
Zijn ego sme lijkt zo zinloos, want iedereen dient het ideaal. Maar juist die tragische zinloosheid van zijn hardnekkige verlangen naar de realisering van iets kleins maakt van hem de echte revolutionair.
Hij vindt zijn vrijheid, zijn kinderlijke gevoelens en zijn verlangen naar liefde en geluk belangrijk en daarom gaat hij te keer tegen die mensen, die een vereenzaamde, ontmenselijkte wereld in het leven willen roepen, een samenleving waarin HIJ, de enkeling, ongelukkig moet zijn...

Ego sme is dus, hoe paradoxaal het ook mag klinken, binnen de wereld van de anarchist een uiterst sociaal gebeuren. Waar de anarchist 'a-sociaal' is, daar ontstaat, juist omdat hij het kleinburgerlijke zondebokdenken afwijst, een sfeer van waarachtige menselijkheid.
Waar de kleinburger daarentegen met veel poeha en aplomb een 'sociale werkelijkheid' in het leven roept, daar verdwijnt de menselijkheid, omdat de kleinburger een gespleten wezen is dat alleen sociaal kan zijn wanneer hij zijn asociale eigenschappen blindelings kan uitleven op onschuldige slachtoffers.
Dat is de reden waarom in oude wijsheidsleren de mens een 'machine' wordt genoemd, een wezen dat niet in staat is zichzelf te controleren..
Alleen wanneer de mens de moed op kan brengen weer mens te worden kan er zoiets ontstaan als gemeeschap, een wereld waarin enkelingen elkaar als individu kunnen ontmoeten, zonder bang te zijn te worden aangeklaagd door allerlei vreemde en duistere instanties, die, zoals Franz Kafka het omschrijft in zijn werrk, geen andere taak hebben dan te creperen..., afgemaakt worden..., als een hond...

Dat inzien, dat beseffen, is niet gemakkelijk.
Veel mensen vragen zich af: "Wat kan ik als enkeling vinden in deze wereld? Hoe vul ik mijn leven? Hoe verklaar ik het ongeluk dat me heeft getroffen? Hoe kan ik een zinvol bestaan leiden wanneer ik alle idealen overboord gooi?"
Je kunt daar alleen maar een simpele tegenvraag tegenover stellen:
Waar vult een kind zijn leven mee? Dat kind dient geen grote zaak. Het leeft zijn eigen leventje en het blijft temidden van de puinhopen van een verpauperde, door en door asociale volwassen idealistenwereld een wonder van schoonheid en ontroerende eenvoud...
Eigenlijk is een kind een zeer asociaal wezen wanneer je de burgerlijke normen en waarden erop van toepassing verklaart. Het kind heeft geen 'economisch nut'. Het is geen factor van belang in het spel van macht en kapitaal.
En toch denken de meeste mensen met heimwee terug aan die kindertijd en zouden ze het liefst weer heel eenvoudig 'kind' willen zijn.
Dat betekent dat de eenvoud van het kind-zijn veel groter en belangrijker is dan de ingewikkelde grootheid van het volwassen-zijn. En toch heeft een kind geen macht, geen geld en eigenlijk maar erg weinig kennis..
Hoe zou dat komen?
Is de toestand van kind-zijn dan toch een gebeuren dat zinvol is, in de letterlijke zin van het woord: Vol zin...?
De calvinistische anarcho-liberaal Jan Blokker zal ongetwijfeld moeite hebben met het formuleren van een intelligent antwoord op die vraag.
Hij wijst regelmatig op de 'calvinistische' impulsen in zijn eigen karakter, zonder zich te realiseren dat het calvinisme de 'kinderlijkheid' in de mens ontkent.
De calvinist zit met een zuur gezicht in de kerk, getooid in deftige kledij, of omhangen met rare lappen en andere religieuze of quasi-religieuze schertsartikelen, en hij slaat je bont en blauw wanneer je die absurde vertoning belachelijk maakt..
Een calvinist haat kinderlijke grappenmakerij, spot en scherts, omdat dergelijke 'onvolwassen' zaken een bedreiging vormen van zijn wereldbeeld.
"Ik laat niet met me spotten", zegt de calvinist, en daarmee wordt hij een zeer gevaarlijke man in een wereld waarin anarchistische buitenbeentjes zichzelf willen bevrijden.
Een calvinist wil niets te maken hebben met schrijvers die de zwaarte bespottelijk en belachelijk maken. De boeken van de kinderlijke satiricus Heinrich Heine zul je in zijn boekenkast dan ook niet aantreffen.
Heinrich Heine mocht in de grote-mensen-wereld van de kleinburger wegrotten op een ziekbed, dat hij, met de ontroerende moed van een wanhopige, spottend 'mijn matrassengraf' noemde.
Heine ging vechtend ten onder. Zijn schrijvende collega Friedrich Nietzsche, die Dionysos tegenover de Gekruisigde plaatste, eveneens...

En de zachtmoedige Franz Kafka, de man die het leven beschouwde als een duistere samenzwering van aangepaste, kleinburgerlijke bureaucraten....
Ach, die verdween heel stilletjes, ongemerkt bijna - als een onbeduidend vogeltje dat, als zijn tijd gekomen is, heel pardoes van zijn tak af valt..
Je ziet zo'n vogellijkje liggen. Stijf. Koud. En dood....
En je huivert..., want er kijkt geen mens naar om....


Wim Duzijn, Zwolle, 13 januari 1985