|
Ooit zagen
in ons land eigenzinnige, recalcitrante
vertegenwoordigers van religieuze en ideologische
groeperingen het als hun plicht hun lotgenoten te
bevrijden.
Een buitenbeentje was meer dan een 'raar verschijnsel',
dat er alleen maar is om commercieel ge xploiteerd te
worden, nee, hij (of zij) had een eigen, unieke
identiteit die serieus werd genomen.
Woorden als 'solidariteit', 'menslievendheid', 'levensvreugde'
en 'hulpvaardigheid' bezaten in die tijd nog re le
inhoud.
De gedachte dat mensen er voor elkaar zijn werd
niet - zoals dat nu gemeengoed geworden is - belachelijk
gemaakt door ego stische waanwijzen, die zichzelf een 'cultureel
maatkostuum' hebben laten aanmeten om er geld en status
mee te verwerven..., nee: cultuur was ook liefdescultuur: een
vrijheidlievende cultuur, die zich verzette tegen de
liefdeloze terreur van een op macht gebaseerde
gebruikscultuur.
De cultuur van de Liefde speelt binnen de wereld van zich 'elite'
noemende mensen geen rol van betekenis meer.
Men noemt zichzelf weliswaar 'humanist' of 'mensenvriend', maar tegelijkertijd heeft men de
Liefde doodverklaard.
Niet door het woord uit te bannen.
Integendeel. Het woord is sterker dan ooit. Maar door de
naar Liefde verlangende enkeling uit te roeien.
Liefde is niet meer het romantische bezit van de ene mens (Ik) die op zoek gaat naar de andere mens (gij/hij), nee, liefde is momenteel gedegradeerd tot 'massacultuur'...
En alles wat de massa 'liefde' noemt is per definitie de ontkenning van al die mooie romantische idealen, waarover dichters en filosofen eeuwenlang gezongen hebben, zodat het dan ook geen wonder is dat in een tijd die zich 'modern' noemt, de schrijver van liefdesgedichten, de persoon die via de passie voor de ander zijn individualiteit heeft ontdekt, dood is verklaard.
<.p>
Een cultuur zonder enkelingen echter kan onmogelijk 'modern' of 'hoog ontwikkeld' worden genoemd. Zo een cultuur is een dode cultuur, of, beter gezegd: een liefdeloze cultuur.
Een werkelijke cultuur wordt gedragen door het buitenbeentje, de vreemdeling of de nar, niet de onbenullige
potsenmaker die kritiekloos de hielen van machtsdragers likt, maar de recalcitrante nar, die binnen
de wereld van de aangepaste mens doodrustig zijn eigen weg
gaat, op zo'n vanzelfsprekende, onverstoorbare wijze, dat
er een vonk van licht en warmte overslaat naar diegenen,
die gevangen zitten in een neerdrukkende, clich s en
gemeenplaatsen uitbrakende massacultuur.
Waar de intelligente nar wordt ontkend, daar heerst de kilheid van de
ideoloog, de verstarde vormenman, die de leegte op wil
vullen met de onbeduidende glitter van zijn moralistisch-formele
woordenschat.
Een nar is geen moralist. Hij is per definitie amoreel, of beter gezegd 'immoreel', omdat zijn moraal altijd een moraal is die wordt afgewezen door de morele meerderheid.
Een nar is nar omdat hij
nooit echt volwassen is geworden. Hij kan zichzelf alleen
maar als nar uitdossen omdat hij kind gebleven is. En
juist daarom is hij de drager bij uitstek van de
Liefdescultuur
In de
jaren vijftig en zestig heeft ons land een aantal grote
narren gekend: Toon Hermans, Wim Kan en Wim Sonnevelt,
mensen die juist omdat ze op een kinderlijke wijze 'gek' durfden te zijn bewondering opriepen,
een bewondering die alleen maar toe zal nemen, naarmate de
tijden killer en liefdelozer (dus volwassener...) worden.
Nog even, en we zullen hen een nieuwe naam moeten geven.
Dan noemen we ze niet langer 'potsenmakers'. Nee, dan
noemen we ze 'profeten van de Liefde'.
Een nar - dat realiseren we ons meestal niet -
kan alleen maar tot volle ontplooiing komen in een wereld
die de ernst aanbidt.
In een ernstloze cultuur wordt niet
gelachen. In zo'n wereld staat de lach in dienst van de
aangepaste burgerman en dat betekent dat de lach een
dodelijk instrument wordt in handen van de mensenhaters -
sterke mannen - die niets anders uitdragen dan een kil,
liefdeloos cynisme.
Vermaak wordt leedvermaak. Relativering wordt lompe ridiculisering van alles wat de kinderlijke mens belangrijk vindt. Verdriet wordt gezien als
een uiting van geestelijke debiliteit. En vechten voor
simpele menselijke waarden is er niet meer bij, omdat de
sterke man alles voor niets krijgt in een wereld waarin
geld en macht de belangrijkste waarden zijn. Hij vecht niet voor morele waarden, nee, hij krijgt de moraal cadeau van de machthebber die hij dient.
De sterke
man is altijd een opportunistische moralist, eentje die voor een dubbeltje op de
eerste rij wil zitten. Hij verkondigt altijd - hoe
gruwelijk en misdadig het regime dat hij vertegenwoordigt
ook is - een boodschap van mededogen en mensenliefde.
In
de ene hand draagt hij een mandje vol rozen. In de andere
hand draagt hij de knoet. Zijn kracht ligt niet in zijn
persoonlijkheid. Nee, zijn kracht ligt in het instrument
van de Macht. En de Macht, dat is in zijn zuivere vorm
weinig meer dan de bullepees, het geweer, of het kanon,
die altijd, alle eeuwen door, worden voorzien van kleine
stalen haakjes, waaraan de gebedenboeken van de moralist
bevestigd kunnen worden.
Wie wil weten hoe een sterke man er uit ziet, die hoeft
niet lang te zoeken. Hij kan een willekeurig boek van de
Amerikaanse evangelist Billy Graham uit een boekenrek
pakken en vervolgens met een enkele oogopslag constateren
dat de sterke man een 'zeer keurige, brave en
fatsoenlijke man' is.
Een sterke man is ook een erg sentimentele man. O,
wanneer zijn hondje doodgaat, dan kan hij wel janken.
Daar geeft hij ook zielsveel om, om zijn hondje. En dat
ligt ook voor de hand, omdat de sterke man een
mensenhater is. Hij is sterk omdat de Liefde in zijn
wereld niet mag bestaan.
Die liefdeloosheid is de schakel die de wereld van de
sterke man verbindt met de wereld van de dichter. De
dichter mist de mannelijke kracht van de sterke man en de sterke man
mist de vrouwelijke kracht van de dichter. Daarom blijven zij altijd - op hun geheel eigen wijze -
hulpeloos en zwak.
De sterke
man stelt - hoe vreemd dat ook mag klinken - zijn
waanzinnige kracht in dienst van de verzwakking. Nooit
zal hij vrouwelijke anderen sterker maken. Hij moet de vrouwelijke ander
verzwakken, en hij doet dat op zo'n waanzinnig-consequente
manier, dat alles wat ziek, idioot, verknipt en
stompzinnig is - zwak dus, niet in staat een positieve
daad te stellen - overvloeit van primitieve, dierlijke
kracht.
De vrouwelijke ander, simpel gesteld, is getransformeerd tot het negatieve ding, dat de sterke man in staat stelt de ander te gebruiken, zonder dat er ooit zoiets engs als 'gevoel' in hem opgeroepen hoeft te worden.
Dat is de reden waarom de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche in zijn filosofische
werk op een welhaast krankzinnige wijze tekeer gaat tegen
een negatieve (decadente) burgermansmoraal, die alles wat ziek,
verziekt en primitief is sterk en machtig maakt.
Nietzsche was een uitgesproken vijand van een gelijkschakelende massacultuur, Hij wilde de dichter, de
wetenschapper en de filosoof sterk maken. De dichter
moest een 'ja'-zeggende, kinderlijke boodschapper worden,
de wetenschapper moest een 'vrolijke wetenschapper' zijn,
en de filosoof diende de moker te hanteren, om zodoende
de verpletterende zwaarte van een ziek makende burgermansmoraal
aan stukken te breken.
Het gevecht aan gaan met de zwaarte, die de ziekte en het
ziek-zijn tot norm heeft verheven, dat zag Nietzsche als
zijn levensopgave. Want Nietzsche vertegenwoordigt in onze culktuur de
enkeling die altijd en eeuwig ten ondergaat in de
duistere waanzin-wereld van de sterke (moralistische) man.
Je zou
Nietzsche de 'eeuwige zondebok' kunnen noemen, ware het
niet zo dat rancuneuze kleinburgers dat woord al in
beslag hebben genomen, dezelfde obscure kleinburgers waar
hij op zo'n felle wijze tegen ageert in zijn werk...: orthodoxe
christenen en orthodoxe joden, bij uitstek de vertegenwoordigers van de buitenbeentjeshaat.
Nietzsche
wilde als 'menselijke, al te menselijke mens' de mensen wijzer maken. Maar de massamens
verafschuwt wijsheid. De wijsheid verplicht hem namelijk enkeling
te worden. En dat betekent dat hij het 'zoete
collectivistenleven' van de Macht vaarwel moet zeggen.
Wie de wereld van de Macht verlaat kan niet langer zomaar wat doen. Eensklaps ontdek je dat je als buitenstaander 'ding' geworden bent, en dat betekent dat je om te kunnen overleven streng en meedogenloos zult moeten zijn.
De nar is
- hoe vreemd het ook mag klinken - een strenge vent. Lachend
veegt hij de vloer aan met al die zaken die de aangepaste mens
heilig heeft verklaard. Hij leidt de mensen om de tuin.
Hij steekt de draak met hun kleinmenselijke
eigenaardigheden, maar hij doet dat op zo'n manier dat de
mensen niet in de gaten hebben dat hij volmaakt schijt
aan hen heeft.
Daarom is de nar een profeet van de Liefde, want de
Liefde is een bovenmenselijk gegeven. De liefdevolle mens
is - om het filosofisch uit te drukken - een ' bermensch''.., een woord dat alleen maar aan wil geven dat hier sprake is van een persoon die de beperkingen van de gebruikscultuur overwonnen heeft.
Zo een
' bermensch' was de katholieke potsenmaker Wim
Sonnevelt. In de jaren zestig trok hij als nee-zeggend
buitenbeetje het fraterspak aan. Hij zette zichzelf een
grote, zwartomrande bril op de neus en gewapend met een
gitaar beklom hij het artiestenpodium om aldaar zijn
beroemde 'Frater-Venantius-act' op te voeren - een act
die onlosmakelijk verbonden is met de beginregels van het
narrenlied dat ten gehore werd gebracht:
Zeg maar ja tegen het leven, anders zeg-er het leven nog
nee....
Een lied
van vrijheid en bevrijding ging door de wereld. Er kon
gelachen worden. De ' bermensch' werd tot leven gewekt.
De massa was geen blinde, lompe massa meer...
Hoe anders
zijn de tijden nu. Het narrenlied heeft nieuwe vertolkers
gevonden, die niet de lach, maar het lompe, humorloze chagrijn
op de troon willen zetten, het geestloze zoete-jongens-gebral
van de sterke man, die zalvend door de wereld trekt,
temidden van kilometers-hoge stapels lijken - lijken, die
er alleen maar zijn, omdat hij zo graag een brave, zoete
jongen wil zijn.
In het
bisdom Den Bosch roept de nieuwaangetreden, uiterst
conservatieve bisschop Ter Schure: "Ik ben Jan ter
Schure, die de kerk liefheeft en voor de kerk wil werken..."
En in intellectueel Amsterdam - de culturele hoofdstad
van ons land - bakt de zich 'jood' noemende schrijver
Harry Mulisch (zoon van een joodse moeder en een Duitse
vader, die in de oorlog collaboreerde met de vijand...)
zoete broodjes met het in religieus opzicht steeds conservatiever wordende vorstenhuis...
Een zich 'kerkelijk'
noemende man en een zich 'jood' noemende opportunist
sluiten een verbond met elkaar - geen nieuw, maar een oud
verbond - en het produkt van die bevruchtende
wisselwerking is - je kunt natuurlijk nauwelijks iets
anders verwachten - een laag soort ondermens - die op een
uiterst liefdeloze - zeg maar rustig ant-christelijke - wijze 'kleinburger' wil zijn.
Jezus was geen kerkstichter (de kerk werd gesticht door Keizer Constantijn), nee, alles wat hij wilde was de mens een weg wijzen naar het 'wetteloze' Leven en de 'niet opportunistische' Waarheid.
Kleinburgers (mensen die in geestelijk opzicht altijd klein en onbeduidend willen blijven)
zullen nooit iets anders produceren dan
kleinburgerlijkheid.
Waar in hun wereld twee honden
vechten om een been, daar gaat de valse kleinburger er
gierend van het lachen mee heen. Een andere wetmatigheid
bestaat er in hun wereld niet.
Over enige
tijd zullen linkse schrijvers en columnisten ongetwijfeld
boeken gaan schrijven waarin kritische, onafhankelijke
buitenbeentjes wordt toegeroepen dat zij met hun immorele
tegen de massa-cultuur gerichte humanistische opvattingen naar de
bliksem moeten gaan.
Zeg maar ja tegen de massa, anders zeg-er de massa nog
nee...
Nieuw zal die boodschap niet zijn, want de massamens heeft in
hun wereld altijd op de eerste plaats gestaan, maar voor
het eerst zullen de mensen dan weten waar ze werkelijk
staan: Niet voor de liefdescultuur, maar voor een
fascistische (d.i. aan Macht gebonden) gebruikscultuur.
Eigenlijk
is het een verhaal dat je als onafhankelijke enkeling een
beetje triest maakt. Vooral als het weer een beetje
druilerig is - of als de hond in de keuken tegen de
ijskast heeft gepist - of als er iets nog veel lulligers
is gebeurd - dan voel je dat.
Dan trekt er een wee gevoel
van wereldvreemdheid door je heen - zwaarmoedigheid,
vermengd met walging, misselijkheid en oncontroleerbare
braakneigingen die je strot tot stikkens toe dreigen
dicht te knijpen - en dan ga je voor het raam staan en
dan staar je zomaar wat voor je uit.
O,
werkelijk, er is niks ergers dan een cultuur waarin de
kleinburgerlijke lulligheid tot norm verheven is...
Alles kan een mens bevechten, maar tegen een
schijnheilige klootzak die de lulligheid preekt, daar kan
hij niets tegen beginnen.
De lullige mens is het zwijn,
waarnaar je nooit een parel moet gooien.
Tegen de verderfelijke invloed van lullige mensen is er
maar een remedie: Op de loop gaan, onder de tafel gaan
zitten - als het even kan een ouderwetse, degelijke
houten tafel, met een dik kleed van rood pluche er over
heen gedrapeerd...
Lullige
mensen zijn er in dit land genoeg.
Harry Mulisch is er zo eentje. Niet omdat hij een slechte schrijver is. Maar omdat hij liefdeloos is.
Weinig mensen durven een man die tot 'groot schrijver'
uitgeroepen is een lul te noemen. De enige die op het moment
waarop deze brief geschreven wordt (februari 1985) een
woord van protest laat klinken is boekbespreker en D'66 politicus Aad Nuis.
Aad Nuis
citeert in een Volkskrantartikel, dat de best wel fraaie titel
'Tegen de technologie, voor natuur en erotiek' draagt ,een
gedicht van de Finse schrijver Paavo Haavokko:
Eens was ik een ding,
en woorden ontving ik zoveel dat ik ermee bouwde,
en de aarde streeft niet naar helderheid.
Het landschap is droom,
Tarwe als duizend herfsten schiet op uit de leegte,
Vuur, lucht, water en aarde duren niet lang in ons,
Lang houd ik het praten niet vol...
Maar goed. Niets aan te doen. Het gedicht is geschreven.
Dus waarom zitten zeuren? Lang houdt de schrijver het
praten niet vol, dus, wat vallen er voor eisen te stellen?
Je hebt uithoudingsvermogen nodig wanneer je helder wilt
zijn, taaiheid, nuchterheid, allemaal eigenschappen die je in het literaire en politieke
droomwereldje van Aad Nuis niet aantreft.
In dat
wereldje zwijgt iedereen. Ze houden er het praten niet lang
vol..
"Eens
was ik een ding". Dat is een prachtige,
betekenisvolle beginregel, de enige regel van het
gedicht die werkelijk helder is.
Je kunt die zin op erg veel mensen van toepassing
verklaren. Op een katholieke bisschop. Op de schrijver
Harry Mulisch. En natuurlijk ook op Aad Nuis zelf.
Eens was hij een ding. Zal hij ooit mens worden,
eentje die het praten w l volhoudt, omdat een op geestelijke bevrijding gerichte discussie de
enige manier is om het verdingingsstreven van een
massacultuur tegen te gaan?
Een paar zinnen in zijn jongste recensie wijzen op een
vleugje simpele, heldere menselijkheid, een miniem wolkje
doodgewone hartelijkheid, dat hem los kan weken uit het
kil-elitaire massa-wereldje, dat hij tot nu toe
verdedigde.
Zo vraagt hij zich af waarom sommige mensen meer willen
dan alleen een gedicht lezen.
"De
oprechte amateur", stelt hij, "wordt eerst door
een gedicht geraakt en vraagt zich daarna af hoe het in
elkaar zit en waar het vandaan komt. Er zijn ook andere,
meer professioneel aandoende redenen om zich met het
duiden van gedichten bezig te houden. Zuiver literair-wetenschappelijke
interesse bijvoorbeeld, al lijkt me die zonder
voorafgaande gevoelsmatige getroffenheid een vruchteloze
affaire. Of nieuwsgierigheid naar de schrijver, naar zijn
tijd, naar de sociale en culturele werkelijkheid waarin
zijn werk is ingebed."
Gevoelsmatige
getroffenheid, dat is een term waar de koele,
afstandelijke 'nar' geworden mens vol ingetogen plezier op neer blikt.
Dichters
zouden dat strenge devies eens serieus moeten nemen. Het
is hun taak de afgestompte luitjes die niet horen willen aan het
voelen te brengen.
De opportunistische moralist kan een mens niet leren
luisteren. Alles wat zo een moralist bezit is een grote pot
met poep, waarmee hij de oren van de mensen dichtsmeert.
De dichter zal de wetenschapper duidelijk moeten maken
dat een wetenschap die niet 'vrolijk' wil zijn, een
negatieve, mensenhatende kracht wordt, waaraan alles wat
bijzonder is (en bijzonder wil zijn) onherroepelijk kapot
gaat.
De vrolijke wetenschap is juist daarom ernstig, omdat zij
de verdommende zwaarte van de massamens belachelijk maakt.
De vrolijke wetenschapper lacht om het loodzware leed van
mensen die nooit echt werkelijk willen voelen. Hij relativeert het leed, omdat hij weet
dat een opportunist het leed exploiteert, het gebruikt en
misbruikt, het in dienst stelt van zijn levensontkennende
dogma's.
De dichter wijst de zwaarte af. Hij wil niet geanalyseerd
worden, nee, hij wil gelezen worden. Hij wil de mensen
stimuleren en activeren. Niet op een burgerlijke wijze,
maar op een dichterlijke wijze.
De echte dichter wil niet verdingd worden. De echte
dichter gaat met hart en ziel tekeer tegen het
kleinburgerlijke verdingingsstreven.
Hij haat wetenschappelijke literatuurvorsers, omdat hij
weet dat zulke mensen zijn dichtersnatuur ontkennen.
Een aan de massa gebonden wetenschapper - zo eentje die
nors en chagrijnig de tijd aan het doden is in de kille
beslotenheid van zijn studeervertrek - maakt het gedicht
tot 'object van onderzoek'. Hij jaagt de rare, dromerige
dichter weg en hij zet er een aantal objecten voor in de
plaats.
Hij wil - zegt hij - objectief zijn. Maar hij
begrijpt niet dat objectiveren iets anders is dan
objecten tot 'ding' maken.
De dichter klaagt over de
verharding en verkilling van de werkelijkheid. Hij is het
kind dat op zoek gaat naar warmte wanneer het ergens koud
is. Hij worstelt met het leven, ja, zelfs met de taal, en
hij roept wanhopig: "Lang houd ik het praten niet
vol..."
De kleinburgerlijke wetenschapper daarentegen maakt de
klacht tot ding en hij weet van geen ophouden. Hij praat
en hij praat. Tot hij er dood bij neervalt.
De
waarheid zul je, zoals altijd, ergens in het midden
moeten zoeken. Een mens die een gedicht leest moet in
staat worden gesteld te praten over zijn eigen gevoelens
en over de beelden en impressies die tijdens het lezen
van het gedicht bij hem opkomen. Niet de
wetenschappelijke uitleg staat op de eerste plaats, maar
de eigen gevoelens en emoties.
In dat geval speelt de wetenschapper de rol die hij
behoort te spelen: een dienende rol. Het weten wordt in
dienst gesteld van de dichter. De poep wordt uit de oren
gehaald en er wordt geluisterd, heel gewoon, zoals
kinderen rondom een verteller zitten: niet om kennis op
te doen, nee, om vermaakt te worden, om een verhaaltje te
horen dat leuk en interessant en boeiend is.
In dat geval wordt de verdinging opgeheven en komt de
mens achter de wetenschapper tevoorschijn.
Dat betekent dat
de maskers moeten worden afgezet. De
wetenschapper moet zich kwetsbaar opstellen en zich - net
als de schrijver - bloot geven.
Momenteel is zoiets een onbehoorlijk gebeuren in
boekbesprekersland. Daar geldt het kleinburgerlijke
moralistendevies: "Geef jezelf nooit bloot. Laat
nooit de anderen zien dat je tastend en zoekend jezelf
een weg probeert te banen in het leven.." Nee, in de
wereld van de massamens moet de mens eeuwig
volwassen zijn, spelend in een bak vol woorden, die als
losse korrels zand door zijn machteloze handen glijden:
Nietszeggende volwassen woorden. Leeg en doods en
inhoudsloos...
In de
wereld van de massacultuur is een mens een ding.
Dingen noemen zichzelf goed en dingen noemen zichzelf
slecht. En wanneer goede dingen oorlog gaan voeren met
slechte dingen dan weet je zeker dat er helemaal niets
zal veranderen in de wereld, omdat de glansrijke
overwinning van het ding een volmaakt betekenisloos
gebeuren is.
Zo gaat
dat met dingen.
Ze vernietigen alles en iedereen.
Ze rennen met oogkleppen op door het leven.
Ze werpen de menselijkheid overboord.
En alles wat overblijft is leegte, geestelijke armoede en
eenzaamheid: Een dorre woestenij, waarin dichters en
profeten hun eeuwige roep laten klinken.
De roep om
wakker te worden. De roep om mens te worden. Een roep die
nauwelijks enige wetenschappelijke waarde bezit, omdat
zij zich richt tot het menselijke hart, een hart dat nee
zegt tegen een geestloze massamaatschappij - omdat die
wereld kil, liefdeloos en harteloos is.
De dichter
en de profeet zijn op zoek naar 'menselijke, al te menselijke' mensen en zij
weigeren op te treden als vermaakbrengend ding in het
paleis van de Machthebbers.
Zij lijden onder het leven en zij koesteren in hun hart
een ideaal, een dichtersideaal, een ideaal dat nooit omschreven zal kunnen
worden in termen van geld en macht en status...
|