Zeg maar ja tegen het leven...
Liefdescultuur versus Gebruikscultuur

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn. (Ed Hoornik)

anarcho-liberale verhandelingen

Ooit zagen in ons land eigenzinnige, recalcitrante vertegenwoordigers van religieuze en ideologische groeperingen het als hun plicht hun lotgenoten te bevrijden.
Een buitenbeentje was meer dan een 'raar verschijnsel', dat er alleen maar is om commercieel ge xploiteerd te worden, nee, hij (of zij) had een eigen, unieke identiteit die serieus werd genomen.
Woorden als 'solidariteit', 'menslievendheid', 'levensvreugde' en 'hulpvaardigheid' bezaten in die tijd nog re le inhoud.
De gedachte dat mensen er voor elkaar zijn werd niet - zoals dat nu gemeengoed geworden is - belachelijk gemaakt door ego stische waanwijzen, die zichzelf een 'cultureel maatkostuum' hebben laten aanmeten om er geld en status mee te verwerven..., nee: cultuur was ook liefdescultuur: een vrijheidlievende cultuur, die zich verzette tegen de liefdeloze terreur van een op macht gebaseerde gebruikscultuur.

De cultuur van de Liefde speelt binnen de wereld van zich 'elite' noemende mensen geen rol van betekenis meer.
Men noemt zichzelf weliswaar 'humanist' of 'mensenvriend', maar tegelijkertijd heeft men de Liefde doodverklaard.
Niet door het woord uit te bannen. Integendeel. Het woord is sterker dan ooit. Maar door de naar Liefde verlangende enkeling uit te roeien.
Liefde is niet meer het romantische bezit van de ene mens (Ik) die op zoek gaat naar de andere mens (gij/hij), nee, liefde is momenteel gedegradeerd tot 'massacultuur'...
En alles wat de massa 'liefde' noemt is per definitie de ontkenning van al die mooie romantische idealen, waarover dichters en filosofen eeuwenlang gezongen hebben, zodat het dan ook geen wonder is dat in een tijd die zich 'modern' noemt, de schrijver van liefdesgedichten, de persoon die via de passie voor de ander zijn individualiteit heeft ontdekt, dood is verklaard. <.p>

Een cultuur zonder enkelingen echter kan onmogelijk 'modern' of 'hoog ontwikkeld' worden genoemd. Zo een cultuur is een dode cultuur, of, beter gezegd: een liefdeloze cultuur.
Een werkelijke cultuur wordt gedragen door het buitenbeentje, de vreemdeling of de nar, niet de onbenullige potsenmaker die kritiekloos de hielen van machtsdragers likt, maar de recalcitrante nar, die binnen de wereld van de aangepaste mens doodrustig zijn eigen weg gaat, op zo'n vanzelfsprekende, onverstoorbare wijze, dat er een vonk van licht en warmte overslaat naar diegenen, die gevangen zitten in een neerdrukkende, clich s en gemeenplaatsen uitbrakende massacultuur.
Waar de intelligente nar wordt ontkend, daar heerst de kilheid van de ideoloog, de verstarde vormenman, die de leegte op wil vullen met de onbeduidende glitter van zijn moralistisch-formele woordenschat.
Een nar is geen moralist. Hij is per definitie amoreel, of beter gezegd 'immoreel', omdat zijn moraal altijd een moraal is die wordt afgewezen door de morele meerderheid.
Een nar is nar omdat hij nooit echt volwassen is geworden. Hij kan zichzelf alleen maar als nar uitdossen omdat hij kind gebleven is. En juist daarom is hij de drager bij uitstek van de Liefdescultuur

In de jaren vijftig en zestig heeft ons land een aantal grote narren gekend: Toon Hermans, Wim Kan en Wim Sonnevelt, mensen die juist omdat ze op een kinderlijke wijze 'gek' durfden te zijn bewondering opriepen, een bewondering die alleen maar toe zal nemen, naarmate de tijden killer en liefdelozer (dus volwassener...) worden.
Nog even, en we zullen hen een nieuwe naam moeten geven. Dan noemen we ze niet langer 'potsenmakers'. Nee, dan noemen we ze 'profeten van de Liefde'.

Een nar - dat realiseren we ons meestal niet - kan alleen maar tot volle ontplooiing komen in een wereld die de ernst aanbidt.
In een ernstloze cultuur wordt niet gelachen. In zo'n wereld staat de lach in dienst van de aangepaste burgerman en dat betekent dat de lach een dodelijk instrument wordt in handen van de mensenhaters - sterke mannen - die niets anders uitdragen dan een kil, liefdeloos cynisme.
Vermaak wordt leedvermaak. Relativering wordt lompe ridiculisering van alles wat de kinderlijke mens belangrijk vindt. Verdriet wordt gezien als een uiting van geestelijke debiliteit. En vechten voor simpele menselijke waarden is er niet meer bij, omdat de sterke man alles voor niets krijgt in een wereld waarin geld en macht de belangrijkste waarden zijn. Hij vecht niet voor morele waarden, nee, hij krijgt de moraal cadeau van de machthebber die hij dient.

De sterke man is altijd een opportunistische moralist, eentje die voor een dubbeltje op de eerste rij wil zitten. Hij verkondigt altijd - hoe gruwelijk en misdadig het regime dat hij vertegenwoordigt ook is - een boodschap van mededogen en mensenliefde.
In de ene hand draagt hij een mandje vol rozen. In de andere hand draagt hij de knoet. Zijn kracht ligt niet in zijn persoonlijkheid. Nee, zijn kracht ligt in het instrument van de Macht. En de Macht, dat is in zijn zuivere vorm weinig meer dan de bullepees, het geweer, of het kanon, die altijd, alle eeuwen door, worden voorzien van kleine stalen haakjes, waaraan de gebedenboeken van de moralist bevestigd kunnen worden.
Wie wil weten hoe een sterke man er uit ziet, die hoeft niet lang te zoeken. Hij kan een willekeurig boek van de Amerikaanse evangelist Billy Graham uit een boekenrek pakken en vervolgens met een enkele oogopslag constateren dat de sterke man een 'zeer keurige, brave en fatsoenlijke man' is.
Een sterke man is ook een erg sentimentele man. O, wanneer zijn hondje doodgaat, dan kan hij wel janken. Daar geeft hij ook zielsveel om, om zijn hondje. En dat ligt ook voor de hand, omdat de sterke man een mensenhater is. Hij is sterk omdat de Liefde in zijn wereld niet mag bestaan.
Die liefdeloosheid is de schakel die de wereld van de sterke man verbindt met de wereld van de dichter. De dichter mist de mannelijke kracht van de sterke man en de sterke man mist de vrouwelijke kracht van de dichter. Daarom blijven zij altijd - op hun geheel eigen wijze - hulpeloos en zwak.

De sterke man stelt - hoe vreemd dat ook mag klinken - zijn waanzinnige kracht in dienst van de verzwakking. Nooit zal hij vrouwelijke anderen sterker maken. Hij moet de vrouwelijke ander verzwakken, en hij doet dat op zo'n waanzinnig-consequente manier, dat alles wat ziek, idioot, verknipt en stompzinnig is - zwak dus, niet in staat een positieve daad te stellen - overvloeit van primitieve, dierlijke kracht.
De vrouwelijke ander, simpel gesteld, is getransformeerd tot het negatieve ding, dat de sterke man in staat stelt de ander te gebruiken, zonder dat er ooit zoiets engs als 'gevoel' in hem opgeroepen hoeft te worden.
Dat is de reden waarom de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche in zijn filosofische werk op een welhaast krankzinnige wijze tekeer gaat tegen een negatieve (decadente) burgermansmoraal, die alles wat ziek, verziekt en primitief is sterk en machtig maakt.

Nietzsche was een uitgesproken vijand van een gelijkschakelende massacultuur, Hij wilde de dichter, de wetenschapper en de filosoof sterk maken.
De dichter moest een 'ja'-zeggende, kinderlijke boodschapper worden, de wetenschapper moest een 'vrolijke wetenschapper' zijn, en de filosoof diende de moker te hanteren, om zodoende de verpletterende zwaarte van een ziek makende burgermansmoraal aan stukken te breken.
Het gevecht aan gaan met de zwaarte, die de ziekte en het ziek-zijn tot norm heeft verheven, dat zag Nietzsche als zijn levensopgave. Want Nietzsche vertegenwoordigt in onze culktuur de enkeling die altijd en eeuwig ten ondergaat in de duistere waanzin-wereld van de sterke (moralistische) man.
Je zou Nietzsche de 'eeuwige zondebok' kunnen noemen, ware het niet zo dat rancuneuze kleinburgers dat woord al in beslag hebben genomen, dezelfde obscure kleinburgers waar hij op zo'n felle wijze tegen ageert in zijn werk...: orthodoxe christenen en orthodoxe joden, bij uitstek de vertegenwoordigers van de buitenbeentjeshaat.

Nietzsche wilde als 'menselijke, al te menselijke mens' de mensen wijzer maken. Maar de massamens verafschuwt wijsheid. De wijsheid verplicht hem namelijk enkeling te worden. En dat betekent dat hij het 'zoete collectivistenleven' van de Macht vaarwel moet zeggen.
Wie de wereld van de Macht verlaat kan niet langer zomaar wat doen. Eensklaps ontdek je dat je als buitenstaander 'ding' geworden bent, en dat betekent dat je om te kunnen overleven streng en meedogenloos zult moeten zijn.

De nar is - hoe vreemd het ook mag klinken - een strenge vent. Lachend veegt hij de vloer aan met al die zaken die de aangepaste mens heilig heeft verklaard. Hij leidt de mensen om de tuin. Hij steekt de draak met hun kleinmenselijke eigenaardigheden, maar hij doet dat op zo'n manier dat de mensen niet in de gaten hebben dat hij volmaakt schijt aan hen heeft.
Daarom is de nar een profeet van de Liefde, want de Liefde is een bovenmenselijk gegeven. De liefdevolle mens is - om het filosofisch uit te drukken - een ' bermensch''.., een woord dat alleen maar aan wil geven dat hier sprake is van een persoon die de beperkingen van de gebruikscultuur overwonnen heeft.

Zo een ' bermensch' was de katholieke potsenmaker Wim Sonnevelt. In de jaren zestig trok hij als nee-zeggend buitenbeetje het fraterspak aan. Hij zette zichzelf een grote, zwartomrande bril op de neus en gewapend met een gitaar beklom hij het artiestenpodium om aldaar zijn beroemde 'Frater-Venantius-act' op te voeren - een act die onlosmakelijk verbonden is met de beginregels van het narrenlied dat ten gehore werd gebracht:
Zeg maar ja tegen het leven, anders zeg-er het leven nog nee....

Een lied van vrijheid en bevrijding ging door de wereld. Er kon gelachen worden. De ' bermensch' werd tot leven gewekt. De massa was geen blinde, lompe massa meer...

Hoe anders zijn de tijden nu. Het narrenlied heeft nieuwe vertolkers gevonden, die niet de lach, maar het lompe, humorloze chagrijn op de troon willen zetten, het geestloze zoete-jongens-gebral van de sterke man, die zalvend door de wereld trekt, temidden van kilometers-hoge stapels lijken - lijken, die er alleen maar zijn, omdat hij zo graag een brave, zoete jongen wil zijn.
In het bisdom Den Bosch roept de nieuwaangetreden, uiterst conservatieve bisschop Ter Schure: "Ik ben Jan ter Schure, die de kerk liefheeft en voor de kerk wil werken..."
En in intellectueel Amsterdam - de culturele hoofdstad van ons land - bakt de zich 'jood' noemende schrijver Harry Mulisch (zoon van een joodse moeder en een Duitse vader, die in de oorlog collaboreerde met de vijand...) zoete broodjes met het in religieus opzicht steeds conservatiever wordende vorstenhuis...

Een zich 'kerkelijk' noemende man en een zich 'jood' noemende opportunist sluiten een verbond met elkaar - geen nieuw, maar een oud verbond - en het produkt van die bevruchtende wisselwerking is - je kunt natuurlijk nauwelijks iets anders verwachten - een laag soort ondermens - die op een uiterst liefdeloze - zeg maar rustig ant-christelijke - wijze 'kleinburger' wil zijn.
Jezus was geen kerkstichter (de kerk werd gesticht door Keizer Constantijn), nee, alles wat hij wilde was de mens een weg wijzen naar het 'wetteloze' Leven en de 'niet opportunistische' Waarheid.

Kleinburgers (mensen die in geestelijk opzicht altijd klein en onbeduidend willen blijven) zullen nooit iets anders produceren dan kleinburgerlijkheid.
Waar in hun wereld twee honden vechten om een been, daar gaat de valse kleinburger er gierend van het lachen mee heen. Een andere wetmatigheid bestaat er in hun wereld niet.

Over enige tijd zullen linkse schrijvers en columnisten ongetwijfeld boeken gaan schrijven waarin kritische, onafhankelijke buitenbeentjes wordt toegeroepen dat zij met hun immorele tegen de massa-cultuur gerichte humanistische opvattingen naar de bliksem moeten gaan.
Zeg maar ja tegen de massa, anders zeg-er de massa nog nee...
Nieuw zal die boodschap niet zijn, want de massamens heeft in hun wereld altijd op de eerste plaats gestaan, maar voor het eerst zullen de mensen dan weten waar ze werkelijk staan: Niet voor de liefdescultuur, maar voor een fascistische (d.i. aan Macht gebonden) gebruikscultuur.

Eigenlijk is het een verhaal dat je als onafhankelijke enkeling een beetje triest maakt. Vooral als het weer een beetje druilerig is - of als de hond in de keuken tegen de ijskast heeft gepist - of als er iets nog veel lulligers is gebeurd - dan voel je dat.
Dan trekt er een wee gevoel van wereldvreemdheid door je heen - zwaarmoedigheid, vermengd met walging, misselijkheid en oncontroleerbare braakneigingen die je strot tot stikkens toe dreigen dicht te knijpen - en dan ga je voor het raam staan en dan staar je zomaar wat voor je uit.

O, werkelijk, er is niks ergers dan een cultuur waarin de kleinburgerlijke lulligheid tot norm verheven is...
Alles kan een mens bevechten, maar tegen een schijnheilige klootzak die de lulligheid preekt, daar kan hij niets tegen beginnen.
De lullige mens is het zwijn, waarnaar je nooit een parel moet gooien.
Tegen de verderfelijke invloed van lullige mensen is er maar een remedie: Op de loop gaan, onder de tafel gaan zitten - als het even kan een ouderwetse, degelijke houten tafel, met een dik kleed van rood pluche er over heen gedrapeerd...

Lullige mensen zijn er in dit land genoeg.
Harry Mulisch is er zo eentje. Niet omdat hij een slechte schrijver is. Maar omdat hij liefdeloos is.
Weinig mensen durven een man die tot 'groot schrijver' uitgeroepen is een lul te noemen. De enige die op het moment waarop deze brief geschreven wordt (februari 1985) een woord van protest laat klinken is boekbespreker en D'66 politicus Aad Nuis.

Aad Nuis citeert in een Volkskrantartikel, dat de best wel fraaie titel 'Tegen de technologie, voor natuur en erotiek' draagt ,een gedicht van de Finse schrijver Paavo Haavokko:


Eens was ik een ding,
en woorden ontving ik zoveel dat ik ermee bouwde,
en de aarde streeft niet naar helderheid.

Het landschap is droom,
Tarwe als duizend herfsten schiet op uit de leegte,
Vuur, lucht, water en aarde duren niet lang in ons,

Lang houd ik het praten niet vol...


Maar goed. Niets aan te doen. Het gedicht is geschreven. Dus waarom zitten zeuren? Lang houdt de schrijver het praten niet vol, dus, wat vallen er voor eisen te stellen?
Je hebt uithoudingsvermogen nodig wanneer je helder wilt zijn, taaiheid, nuchterheid, allemaal eigenschappen die je in het literaire en politieke droomwereldje van Aad Nuis niet aantreft.
In dat wereldje zwijgt iedereen. Ze houden er het praten niet lang vol..

"Eens was ik een ding". Dat is een prachtige, betekenisvolle beginregel, de enige regel van het gedicht die werkelijk helder is.
Je kunt die zin op erg veel mensen van toepassing verklaren. Op een katholieke bisschop. Op de schrijver Harry Mulisch. En natuurlijk ook op Aad Nuis zelf.
Eens was hij een ding. Zal hij ooit mens worden, eentje die het praten w l volhoudt, omdat een op geestelijke bevrijding gerichte discussie de enige manier is om het verdingingsstreven van een massacultuur tegen te gaan?
Een paar zinnen in zijn jongste recensie wijzen op een vleugje simpele, heldere menselijkheid, een miniem wolkje doodgewone hartelijkheid, dat hem los kan weken uit het kil-elitaire massa-wereldje, dat hij tot nu toe verdedigde.
Zo vraagt hij zich af waarom sommige mensen meer willen dan alleen een gedicht lezen.

"De oprechte amateur", stelt hij, "wordt eerst door een gedicht geraakt en vraagt zich daarna af hoe het in elkaar zit en waar het vandaan komt. Er zijn ook andere, meer professioneel aandoende redenen om zich met het duiden van gedichten bezig te houden. Zuiver literair-wetenschappelijke interesse bijvoorbeeld, al lijkt me die zonder voorafgaande gevoelsmatige getroffenheid een vruchteloze affaire. Of nieuwsgierigheid naar de schrijver, naar zijn tijd, naar de sociale en culturele werkelijkheid waarin zijn werk is ingebed."

Gevoelsmatige getroffenheid, dat is een term waar de koele, afstandelijke 'nar' geworden mens vol ingetogen plezier op neer blikt.
Dichters zouden dat strenge devies eens serieus moeten nemen. Het is hun taak de afgestompte luitjes die niet horen willen aan het voelen te brengen.
De opportunistische moralist kan een mens niet leren luisteren. Alles wat zo een moralist bezit is een grote pot met poep, waarmee hij de oren van de mensen dichtsmeert.
De dichter zal de wetenschapper duidelijk moeten maken dat een wetenschap die niet 'vrolijk' wil zijn, een negatieve, mensenhatende kracht wordt, waaraan alles wat bijzonder is (en bijzonder wil zijn) onherroepelijk kapot gaat.
De vrolijke wetenschap is juist daarom ernstig, omdat zij de verdommende zwaarte van de massamens belachelijk maakt.
De vrolijke wetenschapper lacht om het loodzware leed van mensen die nooit echt werkelijk willen voelen. Hij relativeert het leed, omdat hij weet dat een opportunist het leed exploiteert, het gebruikt en misbruikt, het in dienst stelt van zijn levensontkennende dogma's.
De dichter wijst de zwaarte af. Hij wil niet geanalyseerd worden, nee, hij wil gelezen worden. Hij wil de mensen stimuleren en activeren. Niet op een burgerlijke wijze, maar op een dichterlijke wijze.
De echte dichter wil niet verdingd worden. De echte dichter gaat met hart en ziel tekeer tegen het kleinburgerlijke verdingingsstreven.
Hij haat wetenschappelijke literatuurvorsers, omdat hij weet dat zulke mensen zijn dichtersnatuur ontkennen.
Een aan de massa gebonden wetenschapper - zo eentje die nors en chagrijnig de tijd aan het doden is in de kille beslotenheid van zijn studeervertrek - maakt het gedicht tot 'object van onderzoek'. Hij jaagt de rare, dromerige dichter weg en hij zet er een aantal objecten voor in de plaats.
Hij wil - zegt hij - objectief zijn. Maar hij begrijpt niet dat objectiveren iets anders is dan objecten tot 'ding' maken.
De dichter klaagt over de verharding en verkilling van de werkelijkheid. Hij is het kind dat op zoek gaat naar warmte wanneer het ergens koud is. Hij worstelt met het leven, ja, zelfs met de taal, en hij roept wanhopig: "Lang houd ik het praten niet vol..."
De kleinburgerlijke wetenschapper daarentegen maakt de klacht tot ding en hij weet van geen ophouden. Hij praat en hij praat. Tot hij er dood bij neervalt.

De waarheid zul je, zoals altijd, ergens in het midden moeten zoeken. Een mens die een gedicht leest moet in staat worden gesteld te praten over zijn eigen gevoelens en over de beelden en impressies die tijdens het lezen van het gedicht bij hem opkomen. Niet de wetenschappelijke uitleg staat op de eerste plaats, maar de eigen gevoelens en emoties.
In dat geval speelt de wetenschapper de rol die hij behoort te spelen: een dienende rol. Het weten wordt in dienst gesteld van de dichter. De poep wordt uit de oren gehaald en er wordt geluisterd, heel gewoon, zoals kinderen rondom een verteller zitten: niet om kennis op te doen, nee, om vermaakt te worden, om een verhaaltje te horen dat leuk en interessant en boeiend is.
In dat geval wordt de verdinging opgeheven en komt de mens achter de wetenschapper tevoorschijn.
Dat betekent dat de maskers moeten worden afgezet. De wetenschapper moet zich kwetsbaar opstellen en zich - net als de schrijver - bloot geven.

Momenteel is zoiets een onbehoorlijk gebeuren in boekbesprekersland. Daar geldt het kleinburgerlijke moralistendevies: "Geef jezelf nooit bloot. Laat nooit de anderen zien dat je tastend en zoekend jezelf een weg probeert te banen in het leven.." Nee, in de wereld van de massamens moet de mens eeuwig volwassen zijn, spelend in een bak vol woorden, die als losse korrels zand door zijn machteloze handen glijden: Nietszeggende volwassen woorden. Leeg en doods en inhoudsloos...

In de wereld van de massacultuur is een mens een ding.
Dingen noemen zichzelf goed en dingen noemen zichzelf slecht. En wanneer goede dingen oorlog gaan voeren met slechte dingen dan weet je zeker dat er helemaal niets zal veranderen in de wereld, omdat de glansrijke overwinning van het ding een volmaakt betekenisloos gebeuren is.

Zo gaat dat met dingen.
Ze vernietigen alles en iedereen.
Ze rennen met oogkleppen op door het leven.
Ze werpen de menselijkheid overboord.
En alles wat overblijft is leegte, geestelijke armoede en eenzaamheid: Een dorre woestenij, waarin dichters en profeten hun eeuwige roep laten klinken.
De roep om wakker te worden. De roep om mens te worden. Een roep die nauwelijks enige wetenschappelijke waarde bezit, omdat zij zich richt tot het menselijke hart, een hart dat nee zegt tegen een geestloze massamaatschappij - omdat die wereld kil, liefdeloos en harteloos is.

De dichter en de profeet zijn op zoek naar 'menselijke, al te menselijke' mensen en zij weigeren op te treden als vermaakbrengend ding in het paleis van de Machthebbers.
Zij lijden onder het leven en zij koesteren in hun hart een ideaal, een dichtersideaal, een ideaal dat nooit omschreven zal kunnen worden in termen van geld en macht en status...

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.<
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

uit het werk van Ed Hoornik (1910-1970)

Wim Duzijn, Zwolle, 8 februari 1985