Jodendom en Zoroaster
Wie de moeite neemt de geschiedenis van de Midden-Oosten religies te bekijken, die ontdekt dat het joodse denken tijdens en na de ballingschap sterk werd be nvloed door Zoroastrisch-religieuze concepten.
De Babylonische gevangenschap had de joods-Hebreeuwse elite blootgesteld aan het pantheon van Zarathoestra, met zijn goede goden onder leiding van Ahura Mazda ('God van het licht' - meer correct 'Heer van Wijsheid') en zijn slechte god Ahriman ('God van duisternis 'of 'Misleidende Geest ').
Het oude Perzische geloof was een abstracte en subtiele religie, die veel nieuwe manieren bood om naar goddelijkheid en de idee van het heilige te kijken. De invloed op schriftgeleerden en leiders, mannen zoals Nehemia en Ezra, is waarschijnlijk groter dan algemeen wordt aangenomen in religieus-politieke kringen.
Het onderstaande artikel wijst op de wisselwerking tussen Zoroastrisme en het zich ontwikkelende jodendom.

Het ontstaan van het Jodendom
Door Mark Willey, Iran Chamber Society
In 539 B.C. veroverde de Perzische koning Cyrus Babylon. Het Perzie van Cyrus was een theocratie, waarbinnen Zoroastrioaanse priesters het politieke en sociale leven domineerden.
Het begrip 'hogepriester' is een Perzisch begrip, dat via het jodendom doorgegeven is aan het christendom (een geestelijk leider die zichzelf ziet als plaatsvervanger van God op aarde).
In Iran werd het idee van hogepriesterlijke almacht na de revolutie van 1979 heringevoerd. Rome, Teheran en Jeruzalem werden daarmee weer vergelijkbare grootheden: vertegenwoordigers van een wijze van religieus denken die door gnostische stromingen (waarvan Jezus de vertegenwoordiger was) en later ook de Islam (die elke vorm van vergoddelijking van sterfelijke wezens afwees) fel werd afgewezen.
Cyrus repatrieerde een aantal Joodse protegés in het jaar 532 voor Christus.
De Perzische heersers stonden hen toe terug te keren naar het eigen land en ze hielpen hen met het bouwen van een tempel in Zoroastrische stijl rond 516 voor Christus. Dit na langdurig verzet van inheemse joden, die geen afstand wilden doen van hun eigen polytheïstisch-religieuze opvattingen.
In het jaar 350 v.Chr. werd een groot aantal joden verbannen uit Judea vanwege oppositie tegen de Perzische theocratie. Ze verzetten zich tegen de overweldigende invloed van een allesoverheersende staatsgodsdienst in een rijk, waarin zij alleen maar gehoorzame onderdanen mochten zijn. Niet alleen selecteerden de Perzische koningen de joodse hogepriesters, zelfs Perzische priesters maakten, vermomd als joodse priesters, deel uit van joodse bestuursorganen (Jesaja 66:21).
De Farizee n hadden alle machtsposities in handen, zij stelden wetten op en schreven de heilige boeken. Sommige joden zoals Ezra en Daniel (Daniel 6: 1-2) waren agenten van de Perzen en werden door Perzie betaald.
Het spreekt dan ook vanzelf dat de Perzen de Joodse theologie, geschiedenis, wetgeving en zelfs de taal in sterke mate hebben beïnvloed en bepaald.
Het officiële Joodse geloof dat wat ze nu zijn is ontstaan in een zogenoemd 'Mozaisch tijdperk' is onverenigbaar met het historische bewijs
Polytheïsme versus monotheïsme
Gedurende de eerste 1500 jaar maakten Hebreeuwse stammen deel uit van een polytheïstische wereld en ze verschilden alleen daarin met hun omgeving dat ze er een eigen tribale God op na hielden, de oorlogsgod Yahweh, die in de loop der tijden werd omgevormd tot een soort alles omvattend opperwezen.
Het historische en bijbelse bewijsmateriaal is op dit punt groot. Het woord "Elohim" is polythe stisch, evenals Genesis 1:26 "laten we een mens maken".
In Genesis 3:22 zegt God: "Zie, de mens is geworden als een van ons ...". "Jahweh neemt deel aan het concilie van El om oordelen tegen de goden te uiten ... Ik heb gezegd, gij zijt goden en gij zijt allen kinderen van de Allerhoogste (Psalm 82)"
"Wie is u gelijk, O Heer, tussen de goden (Ex 15:11)? " "Nu weet ik dat de Heer groter is dan alle goden; want in de zaak waarin zij trots handelden, was hij boven hen" (Ex 18:11).
Toen de Hebreeuwen het land Kanaän binnentrokken en landbouw en veeteelt gingen beoefenen, hadden ze geen oorlogsgod meer nodig en werd er gekozen voor vruchtbaarheidsgoden zoals Baäl en vruchtbaarheidsgodinnen zoals Anat, Ishtar en Asherah.
Welke periode van de aan ons overgeleverde Joods-Hebreeuwse geschiedenis men ook kijkt, de tijd van Abraham, de tijd van Jakob, de ballingschap in Egypte, de tijd van Richteren, of de tijd van Koningen, overal zie je dat de mensen die we nu 'Joden' noemen polythe sten waren.
Abraham zelf aanbad verschillende vormen van El. Izak aanbad Pahad (Gen 31:42, 53). Jacob aanbad Abir (Gen 49:24). Jakobs familie was polytheïstisch: "En zij gaven Jakob alle vreemde goden die in hun hand waren ..." (Gen 35: 4).
Voordat hij Israël binnenging, moest Joshua zijn volgelingen vragen om hun goden weg te doen: Joshua 24: 2 - "en zij dienden andere goden.."
De Joods-Hebreeuwse stammen voor Jesaja erkenden Jahweh, maar ze zagen hem niet als de god van alle stammen. Beëlzebub (bijvoorbeeld) was de god van Ekron, Milcom was de god van Ammon, Kamos was de god van de Moabieten.
Omdat de hebreeuwen|joden noch een politieke noch een raciale eenheid vormden, was de keuze voor een door iedereen geaccepteerde God een voor de hand liggende zaak. De enige band die ze hadden was de religie. Jahweh werd daarom een soort verbindende kracht en als ze ophielden hem te aanbidden zouden ze geen volk meer zijn. Dat is het kritieke belang van 'het verbond met God'; en het eerste gebod, waarin de God van Mozes verklaart dat er te veel goden zijn: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben" (Exodus 20: 3).
Deze vorm van monotheïsme (waarin afstand wordt gedaan van verdeeldheid zaaiende stamgoden) werd voor het eerst binnen de Hebreeuwse wereld geïntroduceerd ten tijde van Cyrus door Jesaja die in 45: 5-7 zegt: "Ik ben de Heer en er is geen ander, er is geen God naast mij ... Ik vorm het licht en schep duisternis: ik maak vrede en schep het kwaad. "
Merk op dat dit dualisme erg Zoroastrisch klinkt. Jesaja staat dan ook positief tegenover het Zoroastrisme. Hij noemt Cyrus de goddelijk benoemde herder (of heerser) in hoofdstuk 44 en de 'gezalfde' (of messias).
De aard van de God Jahweh veranderde gedurende de ballingschap, juist omdat geprobeerd werd het Perzische monotheïsme in te bouwen in het eigen religieuze wereldbeeld, dat zowel tribalistisch als universalistisch wilde zijn.
.
Een universele god vereist een universele vorm van monotheïsme. Binnen het jodendom echter heeft er steeds een spanningsveld bestaan tussen het groepgebonden joodse nationalisme en het monotheïsme, twee zaken die moeilijk met elkaar verzoend kunnen worden.
Omdat joods monotheïsme ge-ent was op een tribalistische vorm van religie, resulteerde dit in strijd tussen het verlangen een uitverkoren volk te zijn met een eigen tribale god en het beeld van een mensvriendelijke God met een wereldwijde, universele missie.
Een aan een stamgod gebonden religie kan onmogelijk worden gekoppeld aan een universele God, een God die er voor alle mensen is.
Voor de ballingschap was Yahweh een wraakzuchtige, bloeddorstige en jaloerse antropomorfe stamgod. Na de ballingschap werd hij onder Perzische invloed omgebouwd tot een afbeelding van de Zoroastrische Ahura-Mazda, een God die zover verwijderd is van de gewone wereld dat hij bemiddelaars (priesters) nodig heeft.
Geschiedenis en Mythologie (webinfo)
De mythen en religieuze ideeën van Genesis zijn ontleend aan het zoroastrisme volgens Dr. Friedrich Spiegal in zijn boek 'Avesta die Heiligen Schriften der Persens' (Wien 1853).
De Perzische invloed was extreem groot. De profeten fungeerden als woordvoerders van de Perzische koningen. Ezra en de andere schriftgeleerden noteerden niet alleen gebeurtenissen in Perzië, maar registreerden ook de edicten (wetten en voorschriften) van de koningen.
De Perzische dominantie wordt aangetoond in uitspraken over Perzische functionarissen in de Bijbel. Artaxerxes werd gevraagd om te bemiddelen in Joodse gebeden. Hagga in hoofdstuk 2:23 laat God Zerubbabel, de Perzische gouverneur van Juda, 'zijn uitverkorene" noemen. Darius wordt vereerd en Cyrus wordt de "Gezalfde van de Heer" of "Messias" of "Christus" genoemd.
Sectie na sectie van de Bijbel verwijst naar de regeringen van Perzische koningen.
De geschriften van Ezra, Nehemia en Daniel waren oorspronkelijk geschreven in het Aramees, een officiële taal van het Perzische rijk, en mogelijk gold dat voor alle boeken van het Oude Testament.
De officiële versie van de wijze waarop Joden hun huidige wetboek hebben gekregen luidt dat een lang verloren document van Mozes werd gevonden en dat daarna de oorspronkelijke wetten opnieuw werden ingevoerd.
Deze verklaring, die er vanuit gaat dat Mozes een document vervaardigde dat vervolgens eeuwenlang werd genegeerd, ook door priesters en religieuze leiders, is absurd.
De wetten van Ezra zijn hoogstwaarschijnlijk delen van de Avesta, het heilige boek van Zarathoestra.
In 397 vChr. kreeg Ezra, een hoveling van de Perzische koning, opdracht "om in Isra l inzettingen en verordeningen te onderwijzen" (Ezra 7:10).
Ezra was geboren en opgeleid in Babylon en stond op goede voet met Artaxerxes, die hem persoonlijk benoemde tot hogepriester en rechter over Israël.
Ezra, een buitenlandse agent in dienst van een Zoroastrische koning, introduceerde een enorme hoeveelheid nieuwe wetten binnen de nieuw gevormde Joodse gemeenschap. Het document van zijn benoeming is te vinden in Ezra (7: 12-26) en Josephus Boek 40, hoofdstuk 5, en is gericht aan "Ezra de priester en lezer van de goddelijke wet".
Ezra werd gestuurd om te zien of het volk van Judea "in overeenstemming zou kunnen leven met de wet van God". Als monotheïst verwees Artaxerxes naar de goddelijke wet van Ahura-Mazda.
Ezra was een schriftgeleerde die in Babylon de Zoroastrische wetgeving bestudeerde. Ezra heeft deze Perzische wetten een nieuwe vorm gegeven in het "Boek van de wet van Mozes" in 397 voor Christus.
De joodse mythologie stelt dat God veertig dagen met Mozes op de berg Sinaï had doorgebracht en hem in die periode patronen voor kleren, tongen, bekkens en gaffels had gegeven. Deze wetten werden terug gevonden in een vreemd land, waar Mozes nooit was geweest, zodat hij het daar ook niet had kunnen verbergen. Daar komt bij dat Ezra in zijn Mozes-boek een anti-antropomorfe God afschildert, volledig in tegenspraak met de verhalen waarin Mozes directe contacten heeft met een menselijke God..
(Antropomorfisme is het toekennen van menselijke eigenschappen aan niet-menselijke wezens: het tonen of behandelen van dieren, goden en voorwerpen alsof ze menselijk zijn qua uiterlijk, karakter of gedrag).
Na de verovering van Jeruzalem door Alexander in 332 voor Christus eindigde de directe Perzische invloed.
Vanaf deze tijd tot 73 na Christus kregen de Joden vrijheid van godsdienst (behalve een korte Helleense periode van 198 voor Christus. tot 165 B.C.)
Een raad van religieuze joden, genaamd het Sanhedrin, werd opgericht om religieuze kwesties op te lossen. Ze was samengesteld uit de twee belangrijkste partijen, de Farizeeën en de Sadduceeën.
Tot de tijd van Jezus geloofden de Sadduceeën, die zichzelf "puristen" noemden, uitsluitend in de oorspronkelijke wet van Mozes en ze verwierpen de wetten van de Farizeeën (zie Josephus in Boek XIII Hoofdstuk XI.) Hun god was een nationale god.
De Sadduceeërs vormden de overgrote meerderheid van de joden. De Farizeeën waren sterk gebonden aan de Perzische opvatting van een alles overkoepelende staatsreligie.
Het woord "Farizeeër"; evenals "Parsee" en "Farsi" of "Pharsee" (Perzisch), zijn allemaal afgeleid van de naam van de Perzische regio Fars.
De Farizeeërs leefden gescheiden van de mensen van het land, de 'am ha-aretz'. De mensen van het land waren nooit in ballingschap en praktiseerden daarom een eigen vorm van jodendom.
Er bestond wederzijdse vijandigheid tussen de Farizeeën en de am ha-aretz. De Farizeeën zijn misschien niet eens Joden geweest maar Perzische priesters. Dat zou de wederzijdse vijandigheid kunnen verklaren.
Alleen het Farizeïsme overleefde de val van Jeruzalem in het jaar 70 n.Chr. Het hedendaagse Judaïsme moet daarom ook Farizeïsch (semi-Perzisch) Jodendom worden genoemd.
** De term Am ha'aretz verwijst naar het gewone volk: dagloners, kleine boeren, slaven, herders, rondtrekkende timmerlieden. Deze groep staat er in de rabbijnse literatuur om bekend dat zij het met de Tora niet al te nauw namen. Met name aan de reinheidsvoorschriften waarover de farizee n een heftig debat met elkaar en met de sadduceeën voerden, had het gewone volk geen boodschap. Zij meenden dat dat een zaak van de tempel was en niet van het leven op het land. In Galilea, waar de rijken niet zo sterk vertegenwoordigd waren als in Judea, was de invloed van de am ha-arets sterker dan in Judea.