Eenling worden
in een schijn-democratie



Het leven als beheersingsdrama


Uit: De Celestijnse Belofte

"Mijn terrein is de conflictologie. Ik onderzoek waarom mensen elkaar met zoveel geweld bejegenen.
We hebben altijd geweten dat geweld voortkomt uit de drang van mensen om elkaar te beheersen, maar pas sinds kort bestuderen we het verschijnsel van binnen uit, vanuit het gezichtspunt van het individuele bewustzijn.
We hebben ons afgevraagd wat zich binnen een menselijk wezen afspeelt dat hem dwingt om iemand anders te willen beheersen. We hebben het volgende ontdekt. Als iemand naar iemand anders loopt en een gesprek begint, wat elke dag miljarden malen ter wereld plaatsvindt, dan kunnen er twee dingen gebeuren. Dat individu voelt zich na afloop sterk of zwak, afhankelijk van wat er tijdens die interactie gebeurt.'
'Om die reden nemen mensen altijd een manipulerende houding aan. De bijzondere situatie of het onderwerp doen er niet toe.
We bereiden ons voor om zodanige dingen te zeggen dat we tijdens het gesprek de overhand hebben. Iedereen probeert een middel tot beheersing te vinden en dus de ontmoeting te domineren.
Als we succes hebben en ons gezichtspunt wint, krijgen we een psychische opkikker in plaats van ons zwak te voelen. Met andere woorden: wij mensen proberen elkaar te overtroeven en te beheersen, niet vanwege een tastbaar doel buiten ons dat we proberen te bereiken, maar omdat we er psychisch van opkikkeren..."
"Wat we niet beseffen, is dat onze opkikker ten koste van de ander gaat. Dat is hun energie die wij gestolen hebben.
De meeste mensen jagen hun hele leven alleen maar op de energie van iemand anders."

De Celestijnse Belofte, James Redfield



"Er is in de mens een dubbele bron voor handelingen, namelijk de natuur en de wil. De natuur wordt geregeerd door de sterren, terwijl de wil vrij is. Maar tenzij zij weerstand biedt, wordt de wil meegesleept door de natuur en wordt mechanisch..."
Albertus Magnus, 13e eeuws geestelijke, alchimist en astroloog. Patroonheilige van de natuurwetenschappen.


Het Spirituele Avontuur
Zwolle, 11 maart 1996

Spirituele avonturen behoren tot een gebied dat binnen de Nederlandse literatuur taboe is verklaard.
De enige schrijver die van de literaire kritiek permissie heeft gekregen zichzelf een spiritueel loverkransje op het hoofd te plaatsen is Harry Mulisch, een moderne - want moralist geworden - Jacob Cats, wiens enige verdienste het is dat hij heeft aangetoond dat een mens met behulp van een tas vol leugens in deze wereld het allerhoogste kan bereiken wat er te bereiken valt: Geld, macht, eeuwige roem, en natuurlijk een keurige, onderdanige burgermansvrouw en uiterst brave en nette burgermanskinderen, waarmee je als nette schrijvende en moraliserende huisvader goede sier kunt maken in de allerhoogste literaire kringen van ons land.

Ik verbaas me daar als anarcho-liberaal buitenbeentje niet over. Ik weet dat eerlijke mensen in deze maatschappij, mensen die niet behoren tot het zich 'goed' wanende deel van de natie, een zwakke positie innemen en vaak op een ronduit misdadige wijze mishandeld worden, omdat onze Westerse wereld wordt gedomineerd door wat ik 'vals-morele afwentelaars' noem, mensen die zowel uitvoerders als gevangenen zijn van wat Redfield beheersingsdrama's noemt .
Mensen worden niet zomaar ziek. Mensen gaan in heel veel gevallen kapot aan de blinde vernietigingswoede van aangepaste anderen.
Valse moralisten spelen vaak een sadistisch spel dat zo weerzinwekkend wreed is, dat we zouden sterven van ontzetting, wanneer we onszelf in onze ware gedaante zouden zien.
Astrologen spreken over het blinde spel van planetaire krachten. Al in de middeleeuwen verkondigden vooraanstaande geestelijken dat het de taak van de religie is om te voorkomen dat mensen blinde uitvoerders van het noodlot worden (zie citaat hierboven).

Het noodlot is nooit een geliefd thema geweest in het rijk van linkse en rechtse utopisten. Je treft het eigenlijk alleen nog maar aan in een wereld die door moralisten op een denigrende wijze 'de onvolwassen wereld van het amusement' wordt genoemd.
Misschien heeft iemand het spel Kings Quest VI ooit gespeeld (of zien spelen). Ik heb het vorige week uitgespeeld.
Het is een leuk spel. De afdaling van de hoofdpersoon - Prins Alexander - in de onderwereld en de ontmoeting die hij daar heeft met de Heer van de Dood zou je zelfs kunnen omschrijven als een uitermate boeiende belevenis, die het literaire gehalte van dat 'kinderspel' ver uittilt boven het beschamend lage spirituele niveau van het volwassen literaire werk van Hollands grootste spirituele schrijver.
Om te voorkomen dat hij door de Heer van de Dood vernietigd wordt maakt Prins Alexander gebruik van het recht de ander uit te dagen. Hij vraagt om een opdracht, die hem, mits goed uitgevoerd, het recht geeft tezamen met een gevangengezet koningsechtpaar, de onderwereld te verlaten.
Het antwoord dat de Heer van de Dood hem geeft is verrassend:
"Duizenden jaren lang heb ik de ergste verschrikkingen die denkbaar zijn onder ogen gehad, miljoenen lijdende en creperende mensen zijn langs me heen getrokken, maar nog nooit in mijn leven heb ik daarbij iets bespeurd van gewone menselijke gevoelens... Ik wil daarom dat jij me laat huilen..."
De omstanders huiveren. Dit is onmogelijk. Dit is een opdracht die onuitvoerbaar is… De Heer van de Dood kan niet huilen. Deze opdracht, zo meent men, zal Prins Alexander onherroepelijk naar de ondergang voeren...

In het (volwassen) werk van Harry Mulisch - dat door vooraanstaande Volkskrant-recensenten wordt omschreven als een queeste (een speurtocht naar de kelk waarin het bloed van Jezus werd opgevangen) - tref je dergelijke diepzinnigheden niet aan. Waarschijnlijk omdat Harry Mulisch - net als de Heer van de Dood in Kings Quest VI - niet huilen kan..., een uitdrukking die verwijst naar het onvermogen van valse moralisten gevoelens van medelijden te hebben voor de gedemoniseerde ander: Wie duivels doodt hoeft niet te huilen. Anders gezegd: wie niet huilen wil moet duivels scheppen...

Hij staat niet alleen. Het kenmerk van een ontvrouwelijkte (d.w.z. compassieloze), op aanpassing van de enkeling gerichte cultuur is dat mensen het vermogen om te huilen verloren hebben. Je mag wel huilen, maar alleen dan wanneer de mensen die boven je staan het goedgekeurd hebben. Huilem om zaken die 'slecht' worden genoemd is verboden.
De enkelingen die zich verzetten tegen het sadisme van zo'n fomalistische (lees: ontvrouwelijkte) wereld verzuipen weliswaar in een zee van kunstmatig opgewekt (moreel) verdriet, maar het zijn niet hun eigen tranen die er binnen die theatrale wereld vergoten worden. Ze worden doodgehuild door toneelspelers, die weigeren zichzelf te identificeren met een wereld die hen wegvoert van de wereld van het kleinburgerlijke gelijkschakelingsideaal.
Met andere woorden: We laten de enkelingen verdrinken in een zee van collectief moreel verdriet, maar nooit zetten we ons, zoals het in de Mattheus-Passion van Bach zo fraai wordt gesteld, in tränen nieder voor de aan het kruis genagelde enkeling, die in een gelijkgeschakelde wereld 'God', of 'De Liefde' vertegenwoordigt.
De naar liefde verlangende enkeling interesseert valse moralisten namelijk helemaal niets.
Liefde is altijd een revolutie, je losmaken uit het collectief. Verliefd worden betekent dat je het valse ideaal verliest. En in een moreel niemandsland willen mensen hun valse idealen niet verliezen. Ze willen de waarheid en de liefde vinden, zonder dat ze ooit afstand hoeven te doen van iets. Het liefst bouwen ze een hemel op de hel van een ander.

Het meest tragische voorbeeld van deze vals-religieuze eredienst is het Messianistische jodendom, een vorm van religieus denken waarbinnen niet de enkeling, maar het collectief (het tot idool uitgeroepen 'volk') heilig wordt verklaard.
Dat Messianisme centreert zich rond een primitief ideaal uit een ver verleden - God zal via een messias ons persoonlijke bezit worden - een ideaal dat in een moderne wereld die zich verlicht noemt op een blind-fanatieke wijze wordt verdedigd.
Honderdduizenden concentratiekampdoden hebben er niet toe geleid dat men afstand doet van het valse gemeenschapsideaal. Integendeel, het valse Messias-ideaal van Hitler heeft het valse Messias-ideaal van joods-nationalistische ideologen alleen maar versterkt.
Het blijft een in- en intriest gebeuren. Je ziet dat mensen een waanidee verdedigen, maar omdat ze in het verleden vervolgd zijn mag je dat niet zeggen. Ronduit absurd natuurlijk.
Stel dat een gek morgen de Bijlmer-bajes opblaast. Zeggen we dan: "we moeten de arme omgekomen gevangenen heilig verklaren.., omdat hun zo een triest lot is overkomen?"
Natuurlijk niet. Toch eisen joodse ideologen van ons - alleen maar vanwege het feit dat er in het verleden sprake is geweest van discriminatie - dat we in de valse idealen van extremisten en godsdienstwaanzinnigen iets groots en bijzonders zien: "Na de holocaust", stellen rechtse extremisten, "durft niemand meer te zeggen dat wij niet het volk van God zijn..."
Ze eisen dat we de 'joodse cultuur' bestuderen, en we moeten de joodse gebruiken als iets hoogstaands beschouwen.., allemaal om te voorkomen dat het fascisme zich herhaalt...
Alsof het fascisme van extreem-rechtse joden geen fascisme zou zijn...

Er zijn mensen die zich laten chanteren. Zij honoreren, zou James Redfield zeggen, het beheersingsdrama dat door aangepaste mensen wordt opgevoerd.
Het toneelstuk dat wordt opgevoerd is vaak simpel. Extremisten provoceren een ander. Die ander wordt kwaad en reageert op een wijze die zijn kwaadheid tot uitdrukking brengt. En als dat is gebeurd, dan gaat de extremist zichzelf groot maken en roepen hoe slecht en verdorven die ander wel niet is. De eigen provocatieve terreurdaden schuift men behendig onder de tafel, en op die manier blijven extremisten met al hun onzinnige nep-idealen eeuwig goed.

In een wereld waarin de (morele) terrorist heilig wordt verklaard - en in een vals-morele wereld terroriseren mensen elkaar - zijn we niet in staat elkaar vrijheid te schenken, omdat onze vrijheid wordt gekocht met de onvrijheid van de ander. Het heeft daarom weinig zin om in zo'n wereld 'het kwaad' te gaan bestrijden.
Albert Camus zegt het heel duidelijk in De mens in opstand: "We dragen onze gevangenis, onze hartstochten en onze gruweldaden in onszelf mee en dat betekent dat we het als onze taak moeten zien die last niet blindelings op de anderen los te laten."

Terreur is in feite weinig meer dan onbeheerst, ongedisciplineerd gedrag. Als een kind om een snoepje gaat lopen zeuren, urenlang, dan bedrijft het terreur. Je geeft het kind een standje, je probeert het duidelijk te maken dat het niet altijd zijn zin kan krijgen, maar je slaat het niet dood.

In de ontouderlijkte wereld van de volwassen moralist daarentegen is het doodslaan van de ander (iemand geestelijk kapotmaken of naar de marge van de samenleving verbannen is ook een moordaanslag) een goede gewoonte geworden. De kleinburgerlijke terrorist is een dreinend kind dat weet dat het gelijk bij de machthebber ligt.
We leren kinderen dat alleen diegene die sterk, rijk, machtig en succesvol is gelijk heeft. We leren ze het ongelijk bij de zwakke mens ligt.

De Celestijnse Belofte van James Redfield, een boek waarin wel degelijk fundamentele waarheden worden geopenbaard, wordt door de literaire elite in dit land niet serieus genomen. Dat is een teken aan de wand.
Wie niets wil weten van de beheersingsdrama's die mensen voortdurend opvoeren toont aan dat hij zelf een naar macht verlangende heerser is, die er niet over peinst zichzelf te begeven op een pad dat hem naar zelfkennis voert.

In het spel Kings Quest VI houdt Prins Alexander de Heer van de Dood een spiegel voor.
Je hoort hoe de wrede, meedogenloze heerser over leven en dood een kreet van ontzetting slaakt. De wreedheid als projectie in het anonieme of het andere is ongevaarlijk. Maar op het moment dat de wreedheid zich manifesteert in het eigen lichaam, tijdens de confrontatie van datgene wat je bent met hetgeen je ooit was en had kunnen zijn, wordt de weerstand gebroken. Dan kan zelfs de meedogenloze Heer van de Dood zich niet beheersen, en kan hij weinig anders doen dan de genadeloze spiegel aan stukken slaan, terwijl een eenzame, grauwe, kille traan over een van zijn wangen glijdt.

De spirituele zoektocht van Prins Alexander voert hem door een dal van verschrikkingen, waaruit hij alleen kan ontsnappen door de wrede ander een spiegel voor te houden die hem doet denken en voelen.
Dat is de morele les die een simpel kinderspel ons leert.

Zulke morele lessen zal literair Nederland ons niet geven.
Literair Nederland vindt kijken in een spiegel onzinnig.
Literair Nederland heeft de zoektocht naar simpele, maar toch uiterst lastige waarheden domweg afgeschaft.
Niet de simpele waarheid wordt aanbeden maar de ingewikkelde leugen die valse moralisten goed en belangrijk - en tegelijkertijd stekeblind - maakt...


wim duzijn, anarcho-liberaal schrijver
zwolle, 11 maart 1996