Eenling worden in een
Schijn-Democratie



Hoge Cultuur en Ordinaire Boemannen
Toelichting bij een blog van 13 april 2009 door Wim Duzijn



In het Volkskrantblogje Flarden van woede wijs ik op het uiterst vreemde contact dat ik in het verleden - als aankomend schrijvertje, iemand die op heel naieve wijze manuscripten opstuurde naar Hollandse uitgevers - heb gehad met de Amsterdamse uitgever Geert van Oorschot.
Inplaats van de boel gewoon terug te sturen, met een doodgewoon formeel briefje erbij, met daarin de standaardtekst 'tot onze spijt moeten we mededelen dat we geen belangstelling hebben voor uw werk', ontving ik een briefje waarin ik op een gruwelijke wijze de grond in werd getrapt. Niks deugde, ook mijn karakter deugde niet, want ik had volgens hem een te negatieve kijk op het schrijverschap, en de tirade eindigde met de mededeling dat ik maar beter met alles kon stoppen.
Simpel gesteld: in de wereld van Geert van Oorschot was geen plaats voor mij.
Ik begreep niks van al dat verbale geweld. Pas toen ik zijn horoscoop ging opstellen begon ik in te zien dat hier sprake was van een soort culturele botsing tussen een serieuze gevoelige vent, die de eenvoud predikte, ik dus. en een keiharde opschepperige zakenman, die zichzelf zag als de vertegenwoordiger van 'De Grote Wereldliteratuur', precies de halen, hebben en houden mentaliteit die ik verafschuw.


Wanneer je zijn horoscoop bekijkt dan zie je heel duidelijk de verwijzing naar enerzijds DE OPSCHEPPER - zowel Zon en Maan in het teken Leeuw, de Zon wordt negatief geaspecteerd door de planeet Pluto, hetgeen altijd de een of andere vorm van grootheidswaanzin in de hand werkt - en anderzijds de harde, agressieve en bij tijden meedogenloze ZAKENMAN: Ram als ascendant (geboorteken) en de planeten Mars en Saturnus in het ascendanthuis. Saturnus ontvangt een negatief aspect van Pluto, hetgeen de neiging geeft mensen die niet binnen het eigen wereldbeeld passen op een radicale wijze te verwijderen.
Zo iemand, zeggen we in het gewone taalgebruik, gaat over lijken. En in dit geval was ik als naief, serieus en gevoelig mannetje het lijk.
Vanuit mijn optiek bezien is de man een doodgewone , ordinaire moordenaar, een rotzak die nooit een klootzak genoemd zal worden, omdat hij door het establishment is uitgeroepen tot een vertegenwoordiger van 'ONZE CULTUUR', een cultuur waarin het gelijk altijd bij de winnaar ligt en nooit bij een zwakke, vernederde ander...

Dat ik met mijn negatiee oordeel niet helemaal alleen sta tonen de hieronder geplaatste fragmenten uit een gesprek met de zoon van Geert van Oorschot aan:


Een leven onder god de boeman
Theodor Holman, Groene Amsterdammer, 19 april 1995

Wouter van Oorschot: "Ik was wel opgelucht dat hij dood was"
Het gaat goed met uitgeverij Van Oorschot. En met uitgever Wouter van Oorschot. Voorgoed tevoorschijn gekropen uit de slagschaduw van zijn vader. En inmiddels begonnen aan zijn eerste boek: over zijn broer die zelfmoord pleegde.
Wouter van Oorschot (43) zet in het mooie huis aan de Herengracht, waar ook de uitgeverij is gevestigd, de tafel waaraan we gaan zitten iets meer in het midden van de kamer.
‘Na mijn huwelijk ben ik hier weer gaan wonen’, zegt hij. 'Het is mijn thuis, maar ook het huis waar mijn broer Guido dood werd gevonden. Guido had nog wel een afscheidsbrief achtergelaten.
Wouter lijkt niet op zijn vader, ofschoon er toch gelijkenissen zijn aan te wijzen. De oude Geert werd wel gekenschetst als een bullebak die soms schreeuwend en tierend zijn prachtfonds de boekhandel in vloekte.
"Met Geert had ik vooral een wankelmoedige verhouding. Die met mijn moeder was normaler.."
Wouter vindt het vervelend dat zijn moeder nooit in de beschouwingen wordt meegenomen wanneer de begintijd van de uitgeverij ter sprake komt. Mijn moeder, Hilly, kon namelijk iets wat Geert niet kon: sfeer maken. Ze heeft hem altijd geholpen.’
De onderbelichtheid van zijn moeder kwetst hem. 'Geert heeft, misschien onbewust, er alles aan gedaan om die onderbelichtheid te behouden.’
Geert interesseerde zich alleen voor mensen voor zover ze te maken hadden met schrijven, lezen en vertalen. Mijn moeder was niet gestudeerd..
Hij heeft haar niet overwonnen. Ze hebben veel van elkaar gehouden, maar het werd uiteindelijk een vechthuwelijk.." [..]

En dan een uitspraak waarvan hij vindt dat hij Geert karakteriseert: 'Geert was een man die van de hoornconcerten van Mozart hield. Dan was ik bij hem en dan zei hij: “Mooi, he?” En dan zei ik: “Pa, die plaat draait op 45 toeren!” ’
"Guido heb ik eigenlijk niet gekend. Acht jaar leeftijdsverschil is een groot verschil. Omdat er niet gerouwd werd bij ons thuis, was hij opeens weg. Ik had wel verdriet, maar ik wist niet precies waarom. Hil en Geert hebben het drama wel volledig beleefd en zijn beiden nog in therapie gegaan. Maar daar raakten ze alleen maar met elkaar in gevecht. Ze zijn dus met de therapie gestopt, maar toen heeft er een verwijdering tussen hen plaatsgevonden. Ze konden het niet eens worden over de vraag of iemand wel het recht had om zelfmoord te plegen.."

'Tussen mij en mijn vader was het Bordewijk’, zegt hij, verwijzend naar Bordewijks boek Karakter. 'Pas toen Geert dood was, had ik het idee dat we uitgevers geworden waren.."
"In de praktijk kwam het er op neer dat hij zich met alles bemoeide... Hij was volkomen vergroeid met de uitgeverij. Hij kon nergens van afblijven. Ik werd er stapelmesjogge van. Hij moest bijvoorbeeld altijd inpakken, ook al waren er bijna geen bestellingen. Dat is zelfs zo erg geweest dat na een inpaksessie een Groningse boekhandelaar opbelde met de vraag of we soms een asbak met inhoud misten. Ik wilde toen helemaal geen contact meer met hem.."
"Uiteindelijk kwamen Geert en ik weer zo on speaking terms dat we zeer duidelijke afspraken met elkaar hebben gemaakt. Vanaf dat moment was het tussen Geert en mij nog wel spannend, maar het was te dragen. "
"Ik was wel opgelucht dat hij dood was..."


Een Angstcultuur - NRC, 7 november 2015

"Sommige schrijvers waren beducht voor hem. Jeroen Brouwers was in 1968 ‘uitgesproken bang’ toen hij Van Oorschot ontmoette. A.F.Th. van der Heijden durfde de uitgever in 1976 zelfs niet te benaderen. Boekhandelaren sidderden als ze hem zagen voorrijden, aan het einde van de dag zaten ze wéér met een stapel onverkoopbare boeken uit de Russische bibliotheek opgescheept. Bezoekers van de uitgeverij kregen vaak een boek bij het weggaan, waarvoor ze een paar dagen later de rekening gepresenteerd kregen..."