Eenling worden in een
Schijn-Democratie



Netenmannen Regeren Ons
VK-blog van woensdag 27 januari 2010 door Wim Duzijn



De tragiek van een doodgelezen elite
over foute, nee-zeggende jongens en
de onvrijheid van het literaire vormdenken

Het is vandaag 4 januari 1985.
Wellicht een wat zinloze mededeling. Immers: Wat is tijd?
Misschien is het wel 5 maart 2010? Of 21 december 2040.
Tijd veronderstelt verandering. Maar er verandert niks.
En toch heeft een mens grenzen nodig. Op zijn tijd...
En daarom ga ik maar terug naar een punt in het verleden, zeg ik dat het 4 januari 1985 is, een datum die vermeldenswaard is, omdat er vandaag iets opmerkelijks is gebeurd!
Dat kan. Meestal is het bestaan een saaie sleur, een voortdurende herhalingen van steeds dezelfde gebaren, handelingen en gedachten van mensen die morgen alweer vergeten zijn wat iemand gisteren heeft gezegd. Maar vandaag is het anders. Vandaag heeft het dagblad dat ik lees mij in contact gebracht met een literair criticus: Willem Netenman, schrijver van het opzienbarende boek "Naar de bliksem? Ik niet!", dat vorig jaar, of misschien was het wel eerder of mogelijk ook een dom verzinsel van iemand uit de toekomst, de Nederlandse lezer werd aangeboden.

Willem Netenman (die echt bestaat, maar ook door mij verzonnen is, omdat de grenzen vandaag een beetje vaag zijn) behoort, zoals een echte kritische schrijver dat in ons land zo treffend kan formuleren, tot 'de' elite.
Let goed op dat ogenschijnlijk zo onbelangrijke woordje 'de'.
Dat kleine, maar zeer listige en uitermate sluwe lidwoord, waarvan de betekenis de meeste mensen ontgaat, deelt de wereld namelijk op in twee klassen: een wereld van gewone mensen - een vormloos 'men' - en een wereld van uiterst aparte en ontwikkelde mensen: 'de' elite, een duidelijk omgrensde groep met geheel eigen kenmerken, die binnen het vage vormloze geheel van het 'klootjesvolk' (term die afkomstig is van de buiten de tijd staande schrijver Harry Mulisch) een culturele vuurtorenfunctie vervult.
Ja.., als er een scheepje in moeilijkheden dreigt te geraken, de weg is kwijt geraakt en wordt bedreigd door woeste stormen en wilde zeeën, dan is daar altijd de Nederlandse elite, die zijn lampje laat stralen, en het scheepje de veilige haven binnen loodst...
Tenminste.., wanneer je de schrijvende Netenmannen in ons land mag geloven...

Een Netenman (een doelbewust door mij gekozen soortnaam die verwijst naar ‘de’ literatuurcriticus) is geen erg betrouwbare criticus. Dat is ook te veel gevraagd van een kritisch mens die ‘de kritische mens’ geworden is.
Kritisch zijn is al een zaak die moeilijk is, en wanneer je dan ook nog eens een keer betrouwbaar en waarheidlievend moet zijn..., jongens, waar gaan we dan naar toe...?
Nee, Willem Netenman is een criticus die de wereld in een geheel eigen vorm giet. Zo bestaat er volgens hem maar één elite, en dat is 'de' elite waar 'hij' deel van uitmaakt - andere artistieke bestaansvormen zijn er niet.
Ik bedoel: als een ander het plan opvat om ook een elitair groepje op te richten, dan wordt hij niet als 'elite' erkend, omdat er maar een enkele elite is. Zo simpel zit de wereld van zich kritisch noemende Netenmannen in elkaar.

"Is een dergelijke interpretatie van de veronderstelde bedoelingen van een ander niet wat te simplistisch?", hoor ik een welbespraakte criticus - waarschijnlijk ook door mij verzonnen - vragen, “en proef ik niet een zekere mate van jaloezie die mogelijkerwijze de geest benevelen kan?”
En omdat het zo een eerlijk-elitaire uitspraak is uit de mond van een denkbeeldige man die van een cliché een ‘bon-mot’ weet te maken ben ik hoffelijk genoeg om klaar en helder en zonder enige vorm van aarzeling 'neen' te zeggen, want ik heb in het verleden, als reactie op de terreur van echt bestaande marxistische Netenmannen, luitjes die je niet zo maar even weg kunt denken, het besluit genomen mijzelf ‘een anarchist’ te noemen (een anti-netenman als het ware), en het kenmerk van een anarchist is dat hij niet op z'n mond gevallen is.
Integendeel, een anarchist is de mening toegedaan dat een mens zijn mond open behoort te doen, en hoe kun je dat beter doen dan door voluit 'nee' te zeggen tegen mensen die de boel belazeren?

Soms stel ik mezelf op tegenover de grote manshoge spiegel, die ik in de douchecel van mijn woning heb bevestigd, en terwijl ik een enigszins kritische blik op mijn naakte lichaam werp, draai ik met snelle, kordate bewegingen de kraan van de wastafel zo ver als maar mogelijk is open.
"Om jezelf te wassen?", vraagt de elitaire man die op een niet bestaand stoeltje tegenover me zit.
"Welnee! Om mijzelf de mond te spoelen!" Want het woordje 'nee' wint aan kracht wanneer het borrelt en gist in je mond, zoals dat het geval is tijdens een krachtig gorgelen met lauwwarm water.
Dan buig ik het hoofd op een welhaast extatische wijze achterover en dan laat ik het water gorgelend mijn keel binnendringen, om pas op het allerlaatste moment, wanneer een krampachtige slikbeweging het water naar binnen dreigt te werken, het bovenlichaam schoksgewijs naar voren te werpen, zodat het water als een vloed zuur en giftig braaksel mijn keel verlaat, tezamen met het bijna dierlijke geschreeuw dat ik op dat moment produceer: de krachtige en wilde oerklank 'NEE!'...

'Nee' - dat is de mooiste klank die ooit een mens heeft bedacht. Wanneer ik in een nee-stemming ben, dan kleed ik me naakt uit, en dan ga ik met mijn blote billen op de koude tegelvloer zetten, zodat mijn lichaam zich in een spastische verzetsbeweging samenkrampt, op een zodanige wijze dat ik wel gedwongen ben hard te schreeuwen. Ik kan niet anders - ik heb mijn stembanden niet meer onder controle – de klanken dringen zich in mijn lichaam omhoog, alsof een stroom woord geworden kilheid via mijn anus zich naar mijn mondholte dringt: 'Nee, godverdomme, nee, nee, nee...'
O, in zo’n koude cel, naakt op de kille tegelvloer, is het een zalige klank, het goddelijk-brutale woordje 'nee', en het is welhaast een weldadige, erotische ervaring om die klank daar uit te stoten...
Een intellectuele 'deep throat'-belevenis. Geestelijk gereed voor een met liefde en geilheid gevulde penis, die het ultieme symbool van burgerlijke ongehoorzaamheid is.

NEE!. En dan het glibberige vocht opzuigen.
NEE!. En daarna het stijve, mannelijke lid schoonlikken.
NEE! Alsof het leven niets anders is dan een aaneenschakeling van extatische liefdeservaringen, heel alleen in een kleine, betegelde cel, met je naakte zitvlak op het koude steen., als een waanzinnige gek die zichzelf dood masturbeert in een isoleercel, maar desondanks vrij: een naakte nee-zegger, die de moed heeft opgebracht zijn mond open te doen…
NEE! Mijn God... NEE!
Het totale, absolute orgasme van de mens die op een anarchistische wijze de werkelijkheid beleeft.

O, geloof me, wanneer ik als anarchistische Nee-zegger word geconfronteerd met vertegenwoordigers van een zich 'elite' noemende groep Netenmannen, dan wordt alles geil, vulgair en opstandig in me. Dan krijg ik de neiging me de kleren van het lijf te scheuren, eerst mijn hemd en daarna mijn broek, finaal aan flarden, om daarna hijgend en zuchtend op de grond neer te vallen, uitzinnig rukkend aan mijn stijf geworden lid, dat klaar wil komen, NEE wil roepen als het ware, nee-zeggen tegen ‘de’ geworden nepintellectuelen, die de mens zijn ballen af willen snijden, houterige zelfingenomen woordenmachientjes, die op een schijnheilige manier 'heilig' willen zijn, afgesneden van alles wat niet ingepast kan worden in hun beperkte wereldje, dat ‘de’ wereld van de zich kritisch noemende heilige boon geworden is.

Netenman, een vertegenwoordiger van een groep mensen die zich soms zeer dapper en zelfbewust 'luizen in de pels van de macht' noemt, is, zoals de gewone man dat noemt, een 'veellezer', een man dus die bijzonder veel boeken leest - niet een of twee per maand, maar tien of twintig, of misschien nog veel meer, want niet de kwaliteit, maar de kwantiteit telt in boekenlezersland, dat is de enige norm die ‘de’ elite geworden veellezer kent.
Wanneer ik als naar eenvoud strevend mens het begrip 'veellezer'; moet omschrijven, dan ben ik wel verplicht mijn toevlucht te zoeken tot de trage, statische wereld van de woninginrichter, omdat eenieder weet dat de wereld van de elite staat of valt met het meubilair waarmee de eigen woning is ingericht: De stoel, de kast, en het bureau...
Iedere vergelijking gaat mank, beweren sommige cynische beterweters, en je mag jezelf niet teveel beperkingen opleggen, maar in dit specifieke geval gaan de spreekwoorden en de moralistische lesjes niet op. De gewone man weet het heel treffend te formuleren. Die stelt doodrustig dat een veellezer niets anders is dan een omgevallen boekenkast. En als nee-zeggende tijdreiziger, die niet gebonden is aan elitaire grenzen, luister ik vol gretige belangstelling naar deze eenvoudige, maar zeer duidelijke klanken, en vol instemming knik ik het hoofd.
Mijn ‘nee’ is een volks ‘ja’ geworden…

Een omgevallen boekenkast, voila.., dat is de juiste terminologie, daar wordt een mens wat wijzer van, daar heeft hij geen klassieke schrijvers voor nodig, die hem komen vertellen wat de waarheid is.
Een veellezer is geen mens, want welk normaal mens wil er de hele dag boeken lezen?, maar een klein, notenhouten meubelstukje, een boekenkastje, zo'n kitscherig geval op kromme poten, waaraan je de lange, ingewikkelde ontstaansgeschiedenis - van balusterpoot, via s-vormig caprioolskelet, naar de met brons en verguld houtsnijwerk versierde Lodewijk de Vijftiende werkelijkheid - niet af kunt lezen.
Een door nobele vakmensen in het leven geroepen kunstwerk, met uitdagende krinkelingen van bloemblaadjes en uitbottende knoppen, en witte marmeren bladen, die dienen te voorkomen dat het houtwerk voortijdig wegrot, omdat de tand des tijds weerstaan dient te worden (het magische jaar 2100 tekent zich al af op de kalender…), en natuurlijk een krans van in hout uitgesneden dansende maagden met een fraai vorm gegeven vijgenblaadje voor het geslacht...

Zo een levend kunstwerk is de Nederlandse criticus die na het lezen van een vleesloos artikel in de Volkskrant in Willem Netenman vlees geworden is:
Een beeldig kastje met een oneindig aantal laden, waaronder enkele laden die geheim schijnen te zijn, dat je zonder al te veel scrupules als commode in de kinderkamer neer zou kunnen zetten, niet om kleine, schattige jongensslipjes en jongenshemdjes in op te bergen, o, van dat zalige kinderondergoed, waar iedere rechtgeaarde pedofiel zichzelf kreunend van geilheid op af zou willen trekken, nee, om er de boeken van het veel te vroeg oud geworden intellectuele zoontje in op te slaan: de boeken van de seksloze elite, die mensen vroeg oud, en vooral, vroeg rijk dienen te maken. Want een wonderkind mag tegenwoordig alleen nog wonderkind worden wanneer er geld aan hem verdiend kan worden..
O zo'n kind zwoegt en ploetert wat af op piano's en violen. En waarom? Omdat kunst kapitaal is! Omdat de elite arme sloebers haat en alleen maar respect kan opbrengen voor kunstzinnige miljonairs die een villa en een dure jaguar bezitten.
Want dat is vandaag de dag kunst. De kunst van een elite, die 'DE ELITE' wil en moet zijn. Zoiets als kunst met een grote K, een stelling waar ik ook altijd met een gevoel van walging op neerkeek, want waar staat die grote K voor? KAK, KOUDE KAK, of KLOTEKAK?
Bezopen toch: Kunst aan banden te willen leggen met behulp van een elitair begrenzingswoord...? Alles wat volks is in mezelf komt in verzet...

Willem Netenman, erudiet vertegenwoordiger van een elitaire geldwolvenklasse, die zichzelf de etiketten 'verheven' en 'beschaafd' heeft opgeplakt, omdat inhoud vandaag de dag op een farizeische wijze buitenkant geworden is, vertelt in zijn Volkskrantartikel (dat dus niet door mij verzonnen is, hoewel ik zelfs daar niet zeker meer van ben vandaag) dat een recensent geen belangstelling heeft voor eenvoudige, authentiek-menselijke uitingen, omdat hij alles wat hij leest spiegelt aan de indrukwekkende hoeveelheid literaire gegevens die hij in zijn hersenen heeft opgeslagen.
Alles is al eens 'beter' en 'veel mooier' geschreven, orakelt onze elitaire wijsgeer, en als eenvoudig, anarchistisch schrijver luister ik vol afgrijzen naar zijn gepiep, het gepiep van de Kafkajaanse mens die tijdens een demonisch proces van gedaanteverwisseling 'kever' is geworden - en ik denk bij mezelf: Wat erg toch allemaal, want wie zichzelf dood gelezen heeft, die zal nooit meer in contact kunnen treden met de levende, vitale krachten waar de echte, vrijheidlievende kunst naar verwijst.
Zo iemand ziet in een literaire uiting geen protestschreeuw meer, geen profetische getuigenis of een roep om vrijheid, nee, zo iemand is machine geworden, een uit miljoenen kleine onderdeeltjes opgebouwde robotmens, die alleen nog maar kan kijken en vergelijken, op een volstrekt mechanische wijze, zoals een sorteermachine op een postkantoor dat doet - met als enige taak en doelstelling de lezer duidelijk maken welke 'veel grotere' auteur de zaken beter en indrukwekkender onder woorden heeft gebracht.
Alsof het daar om gaat, alsof de naar echtheid strevende schrijver Multatuli niet heeft gezegd dat het hem niet om de mooischrijverij gaat, maar om de inhoud.

Je schrijft omdat je wat te vertellen hebt: een misdaadgeschiedenis, een keukenmeidenverhaal, een pornografisch masturbatieboekje, of een roman vol lijden, angst en verdriet, het is maar net wat het lot je mee laat maken.
Over iets anders kun je niet schrijven. Alleen over je eigen lot, dat in sommige gevallen tegelijkertijd het lot van anderen is, zodat er op volstrekt authentieke wijze contact kan worden gemaakt.
De Willem Netenmannen die het woordje ‘lot’ alleen dan aantrekkelijk vinden wanneer het wordt ontdaan van het zo platvloers ogende voorvoegsel ‘nood’ (iets engs en pijnlijks waar je nooit elite mee wordt…), zijn niet geïnteresseerd in het lot van mensen.
Hoe kan het ook anders? Een machine kan alleen maar op een mechanische wijze oordelen en veroordelen. Nooit is hij als persoon ergens bij betrokken. Dat wordt ook van hem verlangd. Hoe kun je geld verdienen in een reusachtige organisatie wanneer je zomaar je eigen gang gaat? Je moet je conformeren aan de wensen en verlangens van de meerderheid. En die meerderheid, dat is de groep die van zichzelf ‘de’ groep heeft gemaakt...

Dat noem ik, als anarchistisch schrijver, de tragiek van de nieuwe adel, de moderne elite, die zichzelf volledig vervreemd heeft van het gewone volk, waarin nog een volheid aan gedachten, verlangens en vitale impulsen aanwezig is, op een vreemde, vaak chaotische en onbegrijpelijke wijze veelal, maar volstrekt reëel, als een duidelijk aanwijsbare werkelijkheid, die de vertegenwoordigers van de elite niet mogen betreden, omdat de 'wet van de boekenkast' hen dat verbiedt, die strenge, dogmatische, onmenselijke wet, die mensen het leven onmogelijk wil maken.
Speciaal voor de Netenmannen in ons land heb ik daarom een bijzonder fout, want anti-elitair, gedicht geschreven, een niet al te welluidend 'poëem', dat nooit een plaats zal vinden in de culturele bovenbouw van zijn Lodewijk de Vijftiende-commode, omdat het geen 'literair product' is, geen gepolijst en zorgvuldig bijgeschaafd wonderwerkje der taal, waarmee je goede sier kunt maken op 'literaire soirees', literaire klaverjasavondjes voor de middenstand, die je niet als zodanig aan mag duiden, omdat de beschaafde mens 'cultureel gevormd' is...

De elite in dit land is dood!,
Die ligt te rotten in de goot,
De maden vreten aan het stille lijk,
Maar niemand zet de rotzooi in de zeik,
Daar komt een zingend anarchistje aan,
Die maakt een einde aan de valse waan,
Hij zingt: De doden stopt men in de grond,
Daar likt geen mens hun dodenkont...

Vanuit het graf staart het lijk van Willem Netenman mij geschokt aan.
"Nou, nou, nou", prevelt de dode criticus, "wat een ongehoord ordinair, platvloers en laag-bij-de-gronds lied is dat - ik zou een dergelijke uiting met uw welnemen willen aanduiden als stijlloos, abject en plebejisch...”
En ik zie hem denken, want lijken kunnen de raarste luchtbellen produceren wanneer zij zijn overgegaan naar de hogere geestenwereld: "Wat tragisch dat iemand zijn talent op zo'n verschrikkelijke manier vergooit", want zo redeneren dergelijke veellezers altijd, die herkennen 'iets' van talent in je, maar die willen dat talent pas erkennen, wanneer het zich gewillig plaatst in de lijn van Charles Flaubertinus en Antoine Notefluit, die zulke 'prachtige en mooie dingen' voor de kenners onder ons maken kunnen...

De nee-zeggende anarchist in mij heeft echter schijt aan zinloze frutsels en mooie en/of lelijke schrijffratsels. Hij is geen aan het graf gehechte burgerman en hij ziet derhalve zaken om zich heen, die de doodgelezen criticus niet wil zien, ja, niet eens kan zien, omdat hij de ogen heeft dichtgeplakt met het papier van zijn literaire dodenboeken.
Een echte kunstenaar, stelt de anarchist, de zonderlinge man dus die met zijn blote komt op de koude tegels in de douchecel zit, maakt geen zinloze dingen. Hij schrijft met bloed, zijn eigen bloed, dat de naar grootheid strevende kleindenker alleen maar wil gebruiken om het als een zoenoffer te plengen op het altaar van de grote, eeuwig goede burgermansgod.
Een anarchist weigert akkoord te gaan met de rol van zondebok, die alle eeuwen door de naaf vrijheid verlangende intelligente mens wordt opgedrongen. Hij laat zich niet gebruiken en misbruiken. Hij haat de vampiristische uitzuigersmentaliteit van grootheidswaanzinnigen en hij wil achter de kunstenaar alleen maar een gewoon mens zien, dat angstige, wanhopige, opgejaagde wezen, dat de burgerman (hoe elitair hij ook is) nooit ziet, het eenzame, naar warmte en liefde verlangende kind, dat voortdurend naar de bliksem wordt gejaagd door een stel liefdeloze, aangepaste jazeggers, die maar één enkele norm kennen: Hoe verkrijg en behoud ik voor eeuwig en altijd - zelfs als gebalsemd lijk in een stalen kist - de macht!

Een anarchist zoekt geen macht. Hij heeft lak aan elke kleinburgerlijke filosofie die de kunstenaar het leven onmogelijk wil maken en hij kiest derhalve voor een anti-burgerlijke filosofie, de levensleer van Friedrich Nietzsche bijvoorbeeld, een gedreven waarheidszoeker, die als een ouderwetse profeet alle verslavende kleinburgerlijke gedachtenvormen met zijn filosofische hamer aan stukken wilde slaan.
"Life is dull and without interest", merkt de absurdistische schrijver Samuel Beckett vertwijfeld op, "the professors know more about it then I do...".
En onze geleerde criticus, doctorandus Willem Netenman, in zijn doodskist druk bezig met het voorbereiden van een proefschrift over de intellectuele waarde van de saaiheid, knikt instemmend en mompelt: "Zo hoort het ook..."
"Ik", merkt deze hoogstaande criticus op, "sta ver boven de gemiddelde kunstenaar. De kunstenaar weet in het geheel niets van kunst, maar ik, ik heb een immens grote boekenkast in mijn hoofd gemetseld, eentje die brandvrij is en voorzien van stalen toegangsdeuren, en ik weet daarom precies hoe het leven in elkaar zit. De kunstenaar stelt niks voor, die is weinig meer dan een stukje toiletpapier waar een kunstminnend mens zijn achterwerk mee schoonveegt, en waarom zou ik me verplicht moeten voelen met zo'n onzinnig, machteloos wezen rekening te houden? Vertelt u mij dat eens, nee-zeggende meneer, die in mijn wereld geen 'elitair boek' wil zijn: Why? Pourquoi? Warum?"

Dergelijke veeltalige boekenwurmen, gifslangen die in het holst van de nacht hun giftige woorden in de blanke halzen van onschuldige maagden spuiten - allez monsieur, culture above all, you know? - hebben in dit dodenrijk, waarin vrije, onafhankelijke geesten niet meer bewonderd mogen worden, alle macht naar zich toegetrokken en zij leven zonder enige schroom hun haat uit op eerlijke mensen, die bewogen door diepmenselijke motieven op zoek gaan naar een beetje eerlijkheid, wat simpele, eenvoudige echtheid, waarmee zij het leven zin kunnen geven.
Die uitzonderlijke figuren, die op zoek zijn naar doodsimpele echtheid, zul je in de wereld van de culturele elite niet aantreffen. Je vindt ze in de goot, het riool, de marge van de samenleving, een plaats waar de burgerman niet graag vertoeft, omdat hij zich veilig heeft verschanst in zijn bibliotheek, waar wormen en maden de dienst uitmaken.

In de een of andere Volkskrantrubriek ontdekte ik enige tijd geleden een klein berichtje, waarin melding wordt gemaakt van zulke randfiguren, dichtende drugverslaafden die in het kader van een welzijnsproject hun gevoelens op papier hebben gezet.
De primitief-naïeve dichtwerkjes die worden geciteerd geven de lezer een verhelderend inzicht in de gedachtenwereld van mensen, waarvan meestal wordt aangenomen dat ze dom, afgestompt of half debiel zijn.
"De literaire kwaliteit staat niet op de eerste plaats", merkt de coördinator van het project op, "het gaat erom te achterhalen wat die mensen beweegt, wat hun angsten, hun gevoelens en hun verlangens zijn..."
Ik vind dat best wel een opmerkelijke stelling. De absurditeit van de huidige 'literaire cultuur' bestaat juist daarin dat mensen niet meer lezen om iets te ontdekken.
Je zou zelfs kunnen stellen dat de moderne literatuur een middel is geworden om te vergeten, een verdovingsmiddel als het ware...:
Opium van en voor de elite, een elite die iedereen haat die mensen van hun verslaving af willen helpen.

Wanneer je dat beseft, dan ga je elitaire kunst haten. Dan voel je je ineens sterk verwant met de zonderlinge schrijver Arthur Rimbaud, die na een korte en hevige schrijfperiode het besluit nam radicaal met schrijven te stoppen.
'God, wat tragisch', zeggen de schrijvende burgerluitjes dan, omdat zij niet begrijpen dat het soms nodig is om radicaal met alles te breken, zelfs wanneer die wanhoopsdaad je losmaakt uit het veilige, beschermde wereldje van 'de' kunst.
Zo'n radicale stap kan je weer gevoelig maken voor de authentieke uitingen van mensen, die niet schrijven om te schrijven, maar die zonder enige terughouding hun ziel aan het papier toevertrouwen, in alle eerlijkheid, zonder opgeblazen prots en praal.
Dan neem je de gedichten van de drugverslaafden ter hand en dan onderga je - al dan niet met tranen in de ogen - de wanhoop en de verlatenheid die uit hun woorden spreekt.
"Mensen", lees je, "stop nu toch even. Wat wij nu doen is verkeerd; is niet de bedoeling van het leven..."
En je ziet jezelf lopen door lege straten van verlaten, dode steden, waar schimmige wezens een inhoudsloos dodemansbestaan leiden, en je begrijpt de woorden van de jongen die schrijft:
"Verlaten en alleen word ik opgeslorpt door de massa. Ik kijk naar hun gezichten en ik zie de totale verwarring, wanhoop en verdriet, haat, misprijzen en egoïsme.."
Mijn god, wat walg je van de boel... Je loopt daar in een vreemde stad, onder een inktzwart hemelgewelf, alsof het in jouw wereld altijd nacht moet zijn, alsof jij nooit de gouden stralen van de zon mag zien, en je begrijpt dat de massacultuur alles wat echt, werkelijk leven in zich draagt kapot wil slaan.
En wanhopig schreeuw je: "Weg met de pushers en de beulen, die ons nooit meer verdrietig en geestelijk kapot mogen maken..."

De ‘elite’ geworden critici staart je vol verbazing aan en binnen de vreemde chaotische kluwen die ze geworden zijn stoot men elkaar eens aan, zoals giftige ouwewijven in een bejaardenhuis dat doen wanneer een incontinente stakker de broek vol pist, en je hoort iemand roepen: 'Wat een problemen heeft die arme ziel. Wat zielig, dat hij niet in staat is met ons in contact te treden, wat immens triest, dat hij de nodige culturele vorming daarvoor mist...'
Maar ik, de vijand van alles wat Netenman wil zijn, ik zit met mijn blote billen op de koude tegelvloer van mijn douchecel en ik schreeuw zo hard als ik kan: NEE!
Sodemieter op, elitaire ganzen, donder als de vliegende bliksem mijn gewone, zielig gemaakte mensenwereldje uit. Verzuip jezelf in de smerige drektroep die jullie 'hoge cultuur' noemen en laat nooit meer iets van je horen.
Jullie aanbidden de kunst en de cultuur, maar jullie laten gewone, vrijheidslievende mensen creperen. En daarom, lieve beste brave mensen, daarom deugen jullie niet. Daarom zit ik hier in mijn blote kont op de stenen, en daarom schreeuw ik keihard ‘NEE’.

Tjonge, mompelt vanuit zijn grafkuil de criticus Willem Netenman: “dat heeft hij eigenlijk best wel mooi gezegd...”
En vliegensvlug, zonder dat iemand het merkt, schuift hij een klein laatje in zijn hoofd open en stopt daar snel mijn uitroep in.
"Sssssst...., tegen niemand zeggen", fluistert hij... Dit is een groot geheim...; dat neem ik stilletjes mee in mijn graf…”