Eenling Worden
in een schijndemocratie



Over Luizen en Dick Pels
Wim Duzijn, Zwolle, 29 oktober 1989


Martin van Amerongen,
Een Groene Amsterdammer

Ik kom er eerlijk voor uit dat ik mijzelf als anarcho-liberaal buitenbeentje niet de gelukkige bezitter mag noemen van een 'Britse fauteuil', een 'Louis Quatorze-bankje' of een uit Jemen afkomstige, met donkerrood leer beklede 'poef', attributen waar de neoliberaal geworden marxistische jaren 70 generatie zich de laatste jaren mee omringt..

Nee, integendeel, de verbeeldingsrijke jaren zestig en zeventig hebben mij gemaakt tot de bezitter van een uiterst zakelijk aandoende tweezitsbank: een witgelakt houten frame met daarin twee losse, met grijs kunstleer beklede, kussens - goedkoop, praktisch, gemakkelijk te onderhouden en naar ik hoop een beetje degelijk, dus 'geschikt voor langdurig gebruik'.
Ook kan ik niet beschikken over zoiets verhevens als een 'utopie', een woord waarmee men nuchtere wetenschappers voortdurend - vrolijk lachend, dat wel - om de oren sloeg.
Mijn dromen betreffen niet een werkelijkheid die buiten mijn individuele belevingswereld valt, dat is een luxe die ik mij helaas niet kan veroorloven.
Bij alles wat mij wordt aangeboden vraag ik mezelf steeds af: Wat heb ik er aan? Wordt mijn persoonlijke leefsituatie daardoor in kwalitatief opzicht verbeterd? Heeft het zin voor mij om daar aandacht aan te besteden? En wanneer die vragen in negatieve zin moeten worden beantwoord dan zeg ik 'nee' tegen de neringdoende die mij lastigvalt met zijn tasje vol handelswaar en ik voeg hem op enigszins barse toon toe: "Gaat u uw geluk maar eens uitproberen bij de buurman, meneer. Goedendag".

Dat kun je egoÔstisch gedrag noemen, okť, mij best, dat mag, maar ik noem het realisme, nuchter pragmatisch denken; en omdat dat individualistische denken een wezenlijk deel van mijzelf is, daarom verdedig ik het als een leeuw, een tijger - ja, zelfs als een wolf, wanneer u dat wenst...

Ben ik daarom een verderfelijk schepsel?
Zeer zeker niet.
Ik ben een nuchter, zakelijk wezen dat op zijn tijd zeer gevoelig en sentimenteel kan zijn. Kijk maar naar mijn geboortehoroscoop: Zon in het koele, autoritaire teken Steenbok, Maan in het nuchter analyserende teken Maagd, Ascendant in het evenwichtige teken Weegschaal en de planeten Jupiter en Neptunus dominant geplaatst in het eerste huis...


Bekijk mijn horoscoop

Asociaal ben ik in het geheel niet, want ik bewonder mensen die 'anders' zijn (mijn partnerhuizen - de gele gebieden - staan in de wilde tekens Ram, Schorpioen en Leeuw), behalve wanneer zij dat anders-zijn met behulp van dwang en terreur willen opdringen aan mij, hetgeen het geval was in de jaren zestig en zeventig, die 'heerlijke wilde jaren', waarin de zich nu links-liberaal noemende intellectueel Martin van Amerongen deel uitmaakte van een 'wilde, brutale anti-liberale horde' - een Gideonsbende, in zijn eigen woorden - die het als zijn taak zag de boel eens flink op stelten te zetten, om daarmee een einde te maken aan het 'autoritaire denken van een reactionaire regentenklasse', een club dus die vastgebakken zit aan fluwelen kussens, dezelfde kussens waar Martin nu op plaats genomen heeft.

Gideon & Bašl

Gideon (de "vernietiger") was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel de vijfde rechter. Hij werd door God benoemd om de IsraŽlieten te bevrijden uit de hand van de Midjanieten en Amalekieten. Eerst verwoestte Gideon op bevel van God het altaar van Bašl en velde de Asjerapaal. Vervolgens droeg God Gideon op om de Midjanieten aan te vallen en te verdrijven. God liet hem zijn leger terugbrengen tot slechts 300 man, vaak de "Gideonsbende" genoemd.

Bašl was binnen de mythologie van Canaan de koning van de goden, een verwijzing naar de liberale planeet Jupiter, die in Babylon Marduk genopemd. In Rome en Griekenland werd de naam Zeus aan 'hem' toegekend.
Bašl werd aanbeden in het noorden van Canaan-Palestina (het huidige Galilea). De belangrijkste representant van de Bašl-religie was de Fenicische koningin Jezebel, die met haar liberaal-religieuze opvattingen beschouwd werd als de vijand van Yahweh.
Volgens de bijbelverhalen stuurde god (de god van 'de goeden' dus) de legeraanvoerder Jehu naar het noorden om de slechte (want liberale) koningin te bestraffen. Aangekomen bij het paleis gooiden de goede mannen de slechte liberale vrouw uit het raam, en toen ze op de grond lag reed de goede legeraanvoerder (uit naam van de goede god Yahweh) met zijn strijdwagen over het lichaam - "en hij vermorzelde haar.."

Martin van Amerongen, inmiddels hoofdredacteur van een blad dat zich op een uiterst fatsoenlijke wijze (helemaal niet wild dus) 'de dichter en denker onder de weekbladen' noemt, kijkt nu enigszins anders tegen het leven aan. Je zou hem 'gesetteld' kunnen noemen...

Toen India in 1857 werd ingelijfd bij het Britse Empire, kwam kapok in veel ruimere mate beschikbaar en werden fauteuils volumineuzer. Ze werden ook steeds comfortabeler. In die tijd doet het idee van de Ďluie stoelí waarin men een dutje kan doen, opgeld in brede lagen van de bevolking...
Vanuit de blauwe Britse fauteuil die zijn nieuwe status symboliseert blikt hij, als was hij de tweelingbroer van de altoos in blauwe mantelpakjes gestoken conservatieve politicus Margaret Thatcher, op een wat hooghartige wijze op ons allen neer en op vermanende toon roept hij ons toe dat wij elkander toch vooral op een verdraagzame wijze tegemoet moeten treden, helemaal volgens geheiligde liberale tradities, die, zoals we allemaal ongetwijfeld weten, soms net zo leugenachtig en amoreel zijn als de geheiligde links-socialistische tradities waar zich sociaal-democraat noemende linkse mensen mee aan komen dragen.

Het wilde links van Martin van Amerongen wierp in de jaren zestig het 'moederlijke' imago van Vadertje Drees overboord.
Wilde jongens waren ze. Krijgslustige rode broeders die groot en sterk wilden zijn. Allemaal dansen rondom de totempaal...
Nu, hij wil roken liberale vredespijp met witte man, zegt hij. Ugh! Mij daar geen zin in hebben. Oef!
Als ik dan al moet kotsen en braken, dan op eigen gezag, door het verorberen van een met salmonellabacteriŽn besmet ei bijvoorbeeld, zo'n zacht gekookt geval in een eierdopje, waarvan je de schil kapot tikt met behulp van een hard voorwerp, een metalen lepeltje bijvoorbeeld, of een kroontjespen - wat je maar wilt.
Ik haat eieren. Je wordt er winderig van, van eieren eten. De hele dag word je achtervolgd door een dof gerommel onderin je buikholte en iedere keer als je gaat zitten moet je oppassen dat er niet onverhoeds een wolkje giftig en brandbaar gas ontsnapt.
"Een ei hoort erbij", roepen de mensen van de STER-reclame me elke avond op een ongehoord jolige wijze toe en dat kan best zo wezen, denk ik bij mezelf, maar niet bij mij.

De vredespijp heb ik begraven, omdat er in mijn leefsituatie momenteel helemaal geen sprake van vrede is. En toch ben ik niet op oorlogspad. Ik ben nu eenmaal een nuchter en zakelijk mens - daar kan ik niet omheen - en het toppunt van onzakelijkheid is natuurlijk het op grote schaal vernietigen van je eigen bezittingen.
Ik wil mezelf niet vernietigen, nee, ik wil er wat bij hebben, gewoon, omdat ik te weinig heb, omdat een stel nep-idealisten me bestolen en bedrogen heeft en me met helemaal niks de woestijn heeft ingestuurd.

Martin van Amerongen begrijpt dat allemaal niet zo best. Hij maakt gedichten en gedachten en hij staart me daarom aan met een blik in de ogen, die niets anders uitstraalt dan niet begrijpende onnozelheid, want dat is het handelsmerk van de Hollandse dichter en denker op het ogenblik: Het totale onvermogen begrip op te brengen voor denkende mensen die door een ontvrouwelijkt machtssysteem zijn uitgekotst.
"O, waarde 'amietse'", voegt hij me toe, vanaf zijn kussen gevuld met kapok, "wilt u niet een 'refferans' maken en een nederige kus op mijn gouden ring drukken?".
"Neen hoogheid", antwoord ik, "het kan niet alle dagen feest zijn hoor", en geloof me, wanneer ik op pruimtabak zou kauwen, hetgeen helaas niet het geval is, dan zou ik ongetwijfeld een kleffe, zwarte, uitgekauwde smak smurrie voor zijn troonzetel deponeren, onder het uitspreken van de woorden: "Hier Majesteit, een gratis gift van het gewone volk!"

Nee, geen gebuig en gelik meer, de tijd van de leugen is voorbij. Wat koop je voor linkse dichters en denkers die hun collega's verbannen naar gevangenissen en concentratiekampen?
In het jaar 1971, toen de stad Amsterdam voor mij een onleefbaar oord geworden was schreef ik zwaarmoedige verzen.

Mijn ogen treuren,
Omdat zij nooit iets zullen zien
Van alles wat ik heb gevraagd,
Zij treuren,
Omdat ik fluisterend stamel achter tralies,
Een vreemde, buitenaardse taal,
Zij treuren,
Omdat ik altijd daar zal zitten,
Heel stil en heel alleen,
Met het verlangen alles te kunnen zeggen,
Roerloos kijkend naar een dode zon.

Mijn ogen treuren,
Omdat geen mens hun blik beantwoordt,
Terwijl ik vraag:
O, alsjeblieft, neem mij toch mee,
Aan een zon,
Die verwelkt in mijn vochtige handen;
Waanzin,
Die verbannen is...

Dat is niet bepaald een optimistische kijk op de vrolijke en rebelse jaren waar Martin van Amerongen vol vertedering op terug blikt, de jaren van 'de vrolijke revolutie'.., dat zal niemand kunnen ontkennen.
Het is de kijk van een buitenbeentje, een uitgestotene, een gek, een niet-linkse denker, die zich geplaatst ziet tegenover een fanatieke, marxistische horde, die onder het mom van hoge morele waarden het vrije, onafhankelijke individu wil vernietigen.
Strijd tegen het collectivisme, vertelde een linkse studievriend me, is fascisme... Het feit dat ik op D66 stemde en het werk van Nietzsche bestudeerde versterkte dat negatieve oordeel, zodat ik in al mijn onschuld ook nog 'een technocraat met Uebermensch-idealen' werd genoemd.

Op 25 juni van het jaar 1971 schreef ik het volgende:
"Het is vernederend toe te moeten zien hoe alles zich voltrekt, als een lamme uitgestrekt te liggen voor de stadspoorten, zonder het vermogen iets te kunnen doen. Ik bezit alleen mijzelf, en wie niets meer bezit dan dat, is gedoemd eenzaam en uiterst behoedzaam zich voort te bewegen, omdat hij op geen enkele vraag antwoord kan geven, niets weet, helemaal niets."

De dichtende denker van Amerongen is niet zo'n voorstander van onwetendheid. Als vertegenwoordiger van het nieuwe establishment weet hij alles!
Nog nooit in zijn leven heeft hij iets niet geweten. Nu de wetende wildeman dood is, luistert hij als wetende edelman naar een ruisende sonate, met in de ene hand een gouden kelkje vol bruisende champagne en in de andere hand een zilveren sigarettenpijpje, hetzelfde pijpje, waarmee de salonsocialist Harry Mulisch (gekleed in donkerblauw corduroykostuum - alsof hij wist dat de hele troep zich (neo)liberaal zou gaan noemen in de toekomst..) enigszins doelloos door de straten van de Amsterdamse Concertgebouwbuurt liep te flaneren, wanneer ik met een plastic Bijenkorf-tasje vol oude, krasserige platen, die ik voor een paar kwartjes had geleend in de Amsterdamse fonotheek, huiswaarts keerde.

In de kwaliteitskrant NRC publiceert Van Amerongen momenteel een aantal kunstzinnige artikeltjes, die handelen over 'de stijl'.
Omdat hij een groot denkraam zegt te bezitten verwacht je dat hij de lezer haarfijn uit gaat leggen wat dat nu precies is, 'stijl', maar dergelijke verwachtingen kun je er maar beter niet op na houden, want net als andere stilistische hoogheden in dit land heeft hij de mond vol met pretenties, met andere woorden, hij is weinig meer dan een koninklijk vat vol lucht, en we weten allemaal hoe dergelijke holle vaten klinken: Hard. Gewoon keihard.
Soms denk ik wel eens bij mezelf: Wie slaat daar toch voortdurend op de grote trom.
Dat blijkt dan Martin van Amerongen te zijn, die met zijn liberaal geworden Gideonsbende door de straten trekt.

Ach, denk ik soms bijmezelf, waar is toch de gouden tijd gebleven, de tijd waarin de schrijvers nog romantisch waren, de tijd, waarin zij als simpele doodgewone buitenbeentjes hypocriete linkse luitjes met 'Britse fauteuils' een ereplaats in de hel toewensten?
Met tedere, liefdevolle gebaren pak ik uit mijn boekenkast een bundeltje gedichten van de dichter Slauerhoff.
Ik houd van Slauerhoff. Omdat hij kwaad en wild kon zijn, maar ook heel erg verdrietig... Net als ik.
Een van mijn lievelingsgedichten in de jaren zestig en zeventig was het gedicht met de veelzeggende naam 'De Poolvulkaan':

Barre verlatenheid
Duldde ik eeuwen reeds,
In gelatenheid
Trotsch en uitgebrand.

Wolken sneeuwen steeds,
Zwaar en eindeloos;
Wit en eindeloos
Ligt het poolland rond.

't Laaiend Noorderlicht
In staalharden nacht
Houdt in mij de hoop
Dat een langre schicht
Mij ineens losscheurt uit mijn krater

En in vlammengloed
Al het eeuwig ijs
Smelt tot groen, schuimbekkend water,
Waar ik rood en donker uit verrijs.

Zo'n gedicht kun je alleen maar bewonderen wanneer je je bevindt in een leefsituatie die het tegendeel is van de toestand die Van Amerongen beschrijft in zijn NRC-column:
"Het is een maatschappij, waarin wij ons geŽrgerd vrolijk maken over een stilistische woestenij - maar waarin niettemin goed te leven valt, gegeven het feit dat de taal en stijl, hoe respectabel ook op zichzelve, gelukkig niet alleszaligmakend blijken te zijn."

Van Amerongen is mogelijk een poŽtisch hoogbegaafd wezen, maar een romantische, aan het leven lijdende persoonlijkheid is hij zeer zeker niet.
In het gedicht 'De Argelozen' roept Slauerhoff uit:

Ons wacht geen genademiddel: doelloos
Vergaan wij als wij niet meer kunnen zwerven

En kunnen nimmer vinden die even
Vaderlandsloos zijn om saam mee te wachten;
Wij komen misschien waar zij kort verbleven
Of gaan voorbij waar ze onzichtbaar smachten.

En dan wordt een stad ons toekomstig sterfoord,
In de woestijnen was het niet eenzamer...

Op zaterdag 10 oktober noteer ik in mijn kleine Amsterdamse dagboek de volgende gedachte:
"Steeds meer dwingt de samenleving de mens tot een volledig falen. De samenleving dwingt als het ware diegenen, die weigeren zichzelf te doden en die zichzelf de ruimte willen geven die nodig is om aan zichzelf te werken, tot agressiviteit. Men moet wel uitermate zachtmoedig zijn om een positieve houding tegen een tot het collectivisme neigende samenleving te handhaven."

Van Amerongen was in die jaren geld aan het oppotten, samen met zijn wilde bende, mensen die - ondanks hun wildheid - geen enkel moment de eigen financiŽle belangen uit het oog verloren.
Hij vergaarde in die wilde jaren kapitaal voor de aanschaf van een reeks Britse fauteuils, van waaruit hij nu de gewone mensen in schrijversland belachelijk maakt met zijn zogenaamd vrolijke, op niets gebaseerde stilistische ergernissen.
Ooit noemde hij zichzelf een 'luis in de pels van de macht'. Nu drinkt hij in een bruin Amsterdams cafť op stijlvolle wijze een kelkje wijn en hij keuvelt met Volkskrantcolumnist Jan Blokker gezellig over links-liberale ditjes en datjes.

Dat er mensen zijn die in die mooie beschaafde stijlvolle wereld opstandig zijn, dat begrijpt hij niet. Nee, hij vertoeft als beschaafde sociaal-democraat in een zelfgeschapen liberale droomwereld, een hemels Utopia, waar zelfs de meest verstokte utopisten niet van durven te dromen.
En wanneer hij tenslotte dit leven verlaat, na op stijlvolle wijze de laatste adem te hebben uitgeblazen, dan kan men er zeker van zijn dat hij, rustend in zijn blauwe Britse fauteuil, 'linea recta' (d.w.z. rechtstreeks) de Literaire Erehemel in zal vliegen.
"Ja, waarlijk, een gezegend schepsel, dat zijn leven in dienst heeft gesteld van de linkse zaak", zullen alle sociaal-democraten van het land vol eerbied mompelen aan zijn met witte irissen overdekte sterfbed... Ook dat hoort bij 'de stijl' natuurlijk. Van de doden spreekt men niets dan goeds...

Zijn tegenpool is de socioloog Dick Pels. Dick heeft kritiek op de sociaal-democraat Wim Kok, die volgens hem een duidelijke 'ideologische keuze' uit de weg gaat nu hij is toegetreden tot het derde kabinet Lubbers. Dick is de mening toegedaan dat de PvdA in het kabinet 'utopisch sentiment' moet losmaken.
Toe maar, denk ik, het kan niet op. Dat is welhaast nog erger dan de 'Britse fauteuil' van Van Amerongen, 'utopisch sentiment' - alsof gewone mensen daar op zitten te wachten.
Alleen on-mensen willen een 'utopische samenleving' nastreven. De menselijke mens wil niks meer (en ook niks minder) dan een 'menselijke, dus leefbare samenleving', en geloof me, menselijkheid nastreven is al moeilijk genoeg, wat zeg ik: het is het moeilijkste dat er is.

Toch ben ik het wel een klein beetje eens met Dick Pels, waar hij zegt dat Wim Kok op het ogenblik struisvogelpolitiek bedrijft. Het is zijn taak een eigen stempel te drukken op zijn 'leef- en werkomgeving' en dat zal hem in een zakenkabinet niet lukken.
Dick Pels merkt op dat Wim Kok diep in zijn hart een aanhanger is van wat hij noemt 'het cultuursocialisme', een stroming die volgens Dick oog heeft voor 'de cultureel-zwakkeren en hun verzet tegen de expertocratie, de heerschappij van de deskundigen en de managers'.

Een vreemde jongen, die Dick. Tegen de 'expertocratie' en voor het 'cultuur-socialisme', jongens, dat is toch een terminologie die je helemaal niet mag hanteren wanneer je tegen de heerschappij van managers en deskundigen bent?
Dat is nou precies de fout die de linkse jaren zestig generatie maakte. Vast blijven zitten aan mooie, gewichtig klinkende woorden, zonder dat er aan het systeem - waar men zich tegen wilde keren - ook maar iets veranderd werd.

In de jaren zestig en zeventig kwamen ze ook allemaal op voor de zwakken en de onderdrukten en de verworpenen. Maar op 3 september 1971 noteer ik het volgende:
"Temidden van een laaiend enthousiasme, zielloos, protserig rumoer, beweeg ik mij nog steeds peinzend dwalend voort. Mijn gehele leven al bevind ik mij in een marginale positie, volledig teruggeworpen op mijzelf. Bezwijkend onder de immense spanning, weiger ik tenonder te gaan in de ontspanning. Ik wil mijzelf niet verliezen. Nooit."

Mensen als Van Amerongen en Dick Pels kennen een dergelijke existentiŽle oer-ervaring niet. Daarom zijn zij levensgevaarlijk voor die mensen, die door het leven op zichzelf teruggeworpen worden.
"Ontspanning is in strijd met de heroÔsche idee", schrijf ik in het jaar 1971, "ik kan mijzelf slechts zijn door heroÔsch te leven, met het gevaar van de ineenstorting voor ogen; maar zelfs de ineenstorting zal een heroÔsche daad zijn, omdat ik geweigerd heb mezelf aan te passen, terug te vallen in het ontspannen gedragspatroon van de gemiddelde mens."

De intelligente lezer zal begrijpen dat een mens die geestelijk lijden onder ogen moet zien in een tijd waarin 'de bomen de hemel ingroeien' weinig sympathie zal kunnen opbrengen voor al diegenen die onder het mom van 'het utopisme' in feite het fascisme verdedigen - een fascisme dat alleen maar geen fascisme wordt genoemd omdat een 'goed bedoelende' generatie er achter stond.
Wie zoiets heeft meegemaakt en wie als slachtoffer toe moet zien hoe de daders alle belangrijke maatschappelijke posities in handen hebben, die denkt bij zichzelf: Dit nooit meer!
En alles wat goed bedoelende fascisten in hun onwetendheid verdedigen haat hij, zoals nog nooit een mens in zijn leven iets heeft gehaat.
Zo iemand voelt - wanneer hij een stel opschepperige stilisten bepruikt en gekroond door de straten ziet flaneren - de neiging in zich opkomen zich terug te trekken op een eiland, een plaats waar al diegenen die door onverschilige praatjesmakers worden onderdrukt een toevlucht kunnen zoeken.
Het is de schuilplaats waar de romantische dichter Jan Slauerhoff over spreekt in zijn gedicht 'Dit Eiland':

Overal op aarde heerscht orde,
Men late mijn eiland met rust;
't Blijft woest, zal niet anders worden
Zolang ik kampeer op zijn kust.



Wim Duzijn, Zwolle - Holland