Eenling worden in een
Schijn-Democratie



Arnon Grunberg & Het Beeld
deel twee
VK-blog van 4 december 2005 door Wim Duzijn


Niet de vorm maar de vent: Samen met Menno ter Braak en de Vlaming Maurice Roelants richtte Du Perron eind 1931 het maandblad Forum op. Daarin poneerden hij en Ter Braak de waarde van de persoonlijkheid als bepalend voor het niveau van het kunstwerk en zij bestreden fel de vormcultus, waarbij het esthetische vermogen van de kunstenaar norm voor de kwaliteit van kunst is. (Biografie van Eduard du Perron)

"Wisdom is better than strength. Nevertheless the poor man's wisdom is despised, and his words are not heard. The words of the wise heard in quiet are better than the cry of him who rules among fools. Wisdom is better than weapons of war." Prediker

1. Arnon Grunberg & de uitgestoten enkeling

Arnon Grunberg is geboren in een jaar (1971) dat voor mij het begin was van wat ik altijd (heel pathetisch, dat geef ik volmondig toe) 'de grote uitstoting' noem - de verwijdering als serieuze, relativerende enkeling uit een maatschappij die werd geterroriseerd door idealistische collectivisten, die in een serieuze enkeling een 'autoritaire, defaitistische vijand' zagen.
Typerend wat dat betreft was een uitspraak van de Nieuw-Linkser Ed van TIjn (vader van het polarisatiedenken) die 'het autoritaire kwaad' projecteerde in CDA-politicus Dries van Agt: "Die man relativeert al onze idealen kapot.."

Ik was niet links in die tijd...
Ik ben altijd een eenling geweest, nooit op zoek naar groepen of gemeenschappen, maar gedurende een korte periode (1966-1969) kon ik als intelligent buitenbeentje deel uitmaken van wat men noemt 'het studentenmilieu', een wereld waarin ik dankzij het feit dat er een paar andere buitenbeentjes rondliepen een beetje mezelf - en daarmee 'sociaal' - kon zijn. Want mensen denken vaak dat 'jezelf zijn' een asociale bezigheid is, maar het tegendeel is het geval.
Juist het wrange feit dat je geen gelijkgestemden kunt ontmoeten geeft je een gevoel van zinloosheid, het idee dat je eigen zelf oplost in een etherische leegte, die idioten mogelijkerwijze ‘mystieke ruimte’ noemen, maar die ik als zelfstandige eenling doodgewone zelfdodende eenzaamheid noem.

Een mens is niet geboren om eenzaam te zijn. Dat is een ontdekking die ik dankzij het leven in de eenzaamheid heb gedaan, en juist omdat eenzaamheid een ziekte is die je wordt opgedrongen in een maatschappij waarin de eenzaamheid (harteloosheid of zielloosheid) tot God wordt uitgeroepen (de collectivistische maatschappij, waarin het collectief of de groep 'God' is) kan ik weinig waardering opbrengen voor schrijvers en kunstenaars die weigeren de gezichtsloze wereld van het collectief te vervangen door de beeldende wereld van de individu geworden enkeling, die op zoek is naar een andere enkeling.
Het kenmerk van een enkeling is dat hij een gezicht heeft, mogelijk een angstig, bangelijk, ernstig, hard of zelfs schuldig gezicht, maar in elk geval een smoel dat je houvast geeft, waarnaar je kunt kijken en waaraan je - via het kijken – je kunt spiegelen, zodat via de contouren van het beeld tegenover je de lijnen van het eigen smoelwerk zich af beginnen te tekenen.

Dat is de reden waarom ik hier aandacht besteedt aan Arnon Grunberg, een schrijver die in het Volkskrantmagazine van 3 december (2005) in staat wordt gesteld tegenover het harde beeld dat hij graag laat zien in andere media (zie: Arnon Grunberg & de zwakke denker) een wat aardiger portret van zichzelf te schetsen, een best wel sympathieke poging natuurlijk - want wie is er nu echt werkelijk op zoek naar zure zanikpotten en harde, meedogenloze egoïsten? - maar desondanks weinig meer dan dat, omdat de woorden die hij uitspreekt worden ontkracht door de merkwaardige tekening die bij het interview is geplaatst, een vreemd calvinistisch of joods-islamitisch geval, dat is opgebouwd uit woorden en letters: een geschreven portret als het ware, dat zin zou kunnen hebben wanneer er een beeld in zou kunnen worden ontdekt - hetgeen niet het geval is.
Het beeld of de verbeelding is nu eenmaal een ondergeschoven kindje in een ontvrouwelijkte of patriarchale mannenwereld waarin het woord tot God verheven is.
Je zou dat getekende zelfportret daarom een verbeeldingsloos (beeldloos) portret kunnen noemen, en daarmee 'een gezichtloos' portret, dat sterk contrasteert met een zelfportret dat door mij gemaakt werd in het jaar 1971: het jaar dat ik op zo een heerlijk vrouwelijke en dus zeer pathetische wijze 'het jaar van de grote uitstoting' blijf noemen.

Wanneer je naar het zelfportret dat ik getekend kijk, dan valt het je op dat het - ondanks de sfeer van peilloze, diepgravende strengheid die er om heen hangt - uit elkaar dreigt te spatten van gevoel: tragisch levensgevoel, dat niet alleen angst omvat, maar ook, en wellicht vooral, verdriet en afschuw.
Het calvinistische zelfportret van Arnon Grunberg is eigenlijk volmaakt gevoelloos (en daarmee in feite het tegendeel van hard of streng).
Dat betekent natuurlijk niet dat hij geen gevoelens heeft, maar het toont wel aan dat hij niet in staat is die gevoelens op een beeldende (lees vrouwelijke) wijze te uiten. Zodat je jezelf afvraagt of een schrijver die geen simpele, doodgewone beelden tot zijn beschikking heeft wel in staat is een echte roman te schrijven - omdat een echte roman weinig meer is dan beelden tekenen met woorden, een (vrouwelijke) omschrijving die mensen die de slaaf zijn van de letter (mensen dus die de de vorm boven de vent plaatsen) mij waarschijnlijk niet in dank zullen afnemen.

Wie een tekening moet maken, maar desondanks weigert gebruik te maken van het instrument dat bij de activiteit 'tekenen' hoort, laat zien dat hij ofwel het beeld haat, ofwel niet in staat is de mogelijk gebrekkige tekenaar die hij is als deel van zichzelf te zien – en te erkennen…
In beide gevallen is er iets mis met de persoon die tekenen moet maar niet tekenen wil.
Wie naar de opeenstapeling van vreemde tekens kijkt op het plaatje hiernaast die kan daar alleen maar een houding van angstige arrogantie in zien: de weigering jezelf te laten zien als een gewoon, kwetsbaar en gevoelig mens.
Arnon Grunberg geeft zelf de volgende verklaring: "Ik kan niet tekenen, en afgezien van de technische tekortkomingen is het een schets van mijn situatie: er is een ik en er zijn de anderen."

Dat is heel duidelijk een zeer vergezochte verklaring, echt zo een interpretatie waarmee kunstcritici de kost verdienen: dure woorden en zinnen formuleren bij een beeld dat al die dure woorden helemaal niet verdient, omdat een goed beeld voor zichzelf spreekt.
Het beeld (ik spreek liever over een antibeeld) van Arnon Grunberg is duidelijk slecht – want nietszeggend. Daarom moet je er van alles bij gaan verzinnen om het zin te geven, hetgeen de ontkenning is van het woordje 'beeld'.
Een beeld wil iets laten zien, toont, geeft, biedt zich aan, heft de afstand tussen ik en de ander op, niet door naar een problematiek te verwijzen via tekens, maar door de problematiek een smoel te geven - een vorm van individualiteit waarmee jij als concrete, tekenloze ander contact kunt maken.

Ik vrees dat Arnon Grunberg domweg niet de moed heeft gehad zijn technische onvermogen op tekengebied om te zetten in een daad van intellectuele regressie: gewoon terugkeren naar de kindertijd dus en als zodanig een doodgewoon kinderlijk poppetje van jezelf maken, dat in al zijn onhandigheid datgene bezit wat hij via woorden graag zichzelf eigen wil maken: een beetje stilte en bescheidenheid.
"Ze vinden mij vaak een arrogante klootzak", merkt hij op, en ook" Ik heb een hekel aan aanstellers".
Maar wanneer ik het rare aanstellerige, quasi-intellectuele tekengeval hiernaast bekijk, niet als de schrijver die ik nu ben, maar als de aan zwaarmoedigheid lijdende enkeling die ik in de jaren zeventig was (of moest zijn..., de een zijn dood is nu eenmaal - ook in schrijversland - de ander zijn brood..) dan kan ik alleen maar concluderen dat hier een zeer onkinderlijke man aan het woord is die duidelijk zichzelf niet wil kennen.
Zodat ik een sprong maak in het verleden en mijzelf als eenzame, zwaarmoedige maar toch heel serieuze en gevoelige zonderling laat zien…

2. Uit mijn "Amsterdamse Dagboek"
Amsterdam, donderdag 3 september:
Geestelijke afbraak. Verval. Pijn. Angst.

Temidden van laaiend enthousiasme, zielloos protserig rumoer, beweeg ik mij nog altijd peinzend dwalend rond. Mijn gehele leven al bevind ik mij in een marginale positie, alsof het noodzakelijk is dat ik volledig wordt teruggeworpen op mijzelf. Als 16-jarige puber pende ik regels neer, die overliepen van een zwaarte, die, gezien vanuit het oogpunt van de 'volwassene' ronduit meelijwekkend is: 'Ik loop hier maar, alleen en treurig, peinzend, zo verward...'
Mijn god, wat heb ik als kleine, tengere jongen een vloed aan tranen vergoten boven het kleine, in blauwe kaft gebonden 'poëzieschrift', dat toch eigenlijk bestemd was voor nuttiger zaken, zoals wiskundige opgaven, vertalingen en tekstinterpretatie.

'Redeloos is iedereen, radeloos ben ik...'
'...alleen en treurig, peinzend, zo verward...'

En nu moet ik mezelf 'volwassen' noemen en alles waartoe ik in staat ben is in kleermakerszit plaatsnemen op het stalen schrijfbureau voor het raam teneinde omlaag te turen in de diepte tussen huizenblokken, die zelfs de hel een triviaal aanzien willen geven - een daad die je zou kunnen zien als het toppunt van demonie.
Bezwijkend onder de immense spanning, weiger ik tenonder te gaan in de ontspanning: Ik wil Mijzelf niet verliezen. Nooit.
Alles wat zinvol is verenigt zich in mijzelf. Mijzelf moet ik beschermen, teneinde mijzelf te handhaven.
Egoïsme. Streng Egoïsme. Egoïsme in dienst van een menselijkheid, die alle grenzen opengooit.
Ontspanning is het verlies van het 'bewustzijn', het borende denken, dat mij wijst op mijn positie temidden van alles dat me omringt.
Ontspanning is een negatief gebeuren. Ontspanning vindt plaats in het geloof, van welke aard dan ook.
Ontspanning is de capitulatie, hoe tijdelijk dan ook, voor een druk van buitenaf, daarmee: ontkenning van je recht op vrijheid - zwakte.
Ontspanning is in strijd met de heroïsche idee, het levenselan van de held, de enkeling.
Er is maar een mogelijkheid: de voortdurende spanning. Alles of niets. Een tussenweg is er niet.
De spanning is weliswaar ondraaglijk, maar ik mag haar niet opgeven, omdat zij op het ogenblik de enig zinvolle realiteit vormt in mijn leven; omdat zonder die spanning niet eens gesproken kan worden van 'mijn leven' -ik zou een organisme zijn, temidden van soortgelijke organismen, een dier, dat op een dierlijke wijze omgaat met anderen.

Het is echter mogelijk dat ik, als degene die bewust kiest voor de strijd, die weigert een rustige haven te zoeken, hoewel niemand het hem dat kwalijk zou nemen, bezwijk onder de onmenselijke druk die op me rust.
Wil ik dat risico nemen?
Ach, het is nauwelijks een risico te noemen. Risico betekent gevaar, kans op een ongelukkige wending der gebeurtenissen, maar heb ik een keuze?
Kan ik kiezen tussen een gedragswijze, die geen enkel risico met zich meebrengt, en een gedragsvorm die zo gevaarlijk is, dat ze kan leiden tot mijn geestelijke ondergang?
Duidelijk zie ik nu in op welke wijze een mens wordt misleid. Er is maar een leefwijze mogelijk. Er is geen alternatief. Alles wat als alternatief wordt aangeboden is vals en onecht.
Ik kan mijzelf slechts zijn door heroïsch te leven, dat wil zeggen 'onaangepast', met het gevaar van de ineenstorting voor ogen. Maar zelfs de ineenstorting, de totale zwakte, zal een heroïsche daad zijn, omdat ik geweigerd heb mijzelf aan te passen, terug te vallen in het ontspannen gedragspatroon van de gemiddelde mens.
Al die zogenaamde alternatieve gedragsvormen, die mooie illusies van de tevreden mens, ver van alle duistere, innerlijke diepten, vormen tezamen een gedragswijze, die inderdaad geen enkel risico met zich meebrengt, omdat zij het risico zelf is.
De marginale positie, die op de een of andere duistere wijze mijn levenslot geworden is, wordt bedreigd door twee gevaren:
Allereerst het gevaar van de geestelijke ineenstorting. Ten tweede: het gevaar van de ontspanning, de verleiding die uitgaat van de aangepaste, ontspannen leefwijze.


Reacties

Tijdrover 04 december 2005 12:18
Grunberg is verstrooiend, werpt allerlei troebelmakende stof in het water, waardoor het zicht op de bodem belemmerd wordt.
Karel van het Reve heeft er ook een handje van. Kees Fens had het daar laatst nog over: op een gegeven moment wist hij zeker dat hij hem kon weerleggen, maar aan het eind van het liedje bleek hij het niet te kunnen. Van het Reve's pleidooien zijn zoals dat heet doortimmerd, laten meerdere waarheden open. Grunberg heeft dat veel minder: hij is stellig en poneert potsierlijke statements en gaat die dan op eenzelfde potsierlijke manier onderbouwen, maar toch blijkt dat het zo maar zou kunnen (de mensheid is immers potsierlijk).

Wat ik mij afvraag: wat zijn de voor - en nadelen van een eenling zijn en wat zijn de voor- en nadelen van een sociaal dier zijn?
Ik weet van mijzelf niet of ik introvert of extravert ben bijvoorbeeld. Sommige mensen zijn puur gericht op de buitenwereld en passen hun identiteit daaraan aan, en daardoor kweken ze zelfvertrouwen die gebaseerd is op uiterlijke maatstaven en zo het innerlijke bereiken. Teveel stilstaan bij jezelf werkt averechts. Ik merk het: ik word er ernstig van en erg veeleisend. Zodra ik mij onder de mensen begeef, komt de beperking van de mens aan het licht. Als ik alleen ben zie ik beperkingen voor mijzelf, ben ik met anderen dan zie ik mogelijkheden dankzij die beperkingen. Eenzaamheid is volgens mij wel nodig om als mens echt te kunnen aarden, maar daarin blijven hangen, en het niet meer op kunnen brengen om het contact aan te gaan omdat je in jezelf opgesloten raakt is een verschrikking. Waarheid blijft misschien ook wel dat alleen de ander je kan openen, met behulp van jezelf?

Anarchist 05 december 2005 11:21
Eenling zijn is niet iets waar je om vraagt. Op een bepaald moment ontdek je dat anderen je buitensluiten terwijl je zelf niet weet waarom ze dat doen.
Kenmerk van dat proces is dat je door de groep een zondebokpositie wordt opgedrongen.
Het waarom van dat uitstotingsproces wordt door de officiële wetenschap niet aan de orde gesteld. Mensen die de waaromvraag wel beantwoorden (de wereld van de domme machthebbers is dualistisch, stellen mystieke denkers, en een dualistische wereld eist opsplitsing in gebruikers en diegenen die gebruikt worden) worden als onwetenschappelijke geesten te kijk gezet en genegeerd.
Wat moet een wereld waarin dualistische, dus verdelende MACHT=RECHT-denkers regeren met een holistisch wereldbeeld dat het sadisme van dualistisch machtsdenken wil overwinnen?
Wie geen eenling is - gewoon aan de kant van de machthebbers gaat staan - heeft nergens last van. Hij wentelt rustig alle rotzooi af op anderen - die je dankzij het dualisme op een heerlijke, gewetenloze wijze mag demoniseren - en hij dankt God op zijn blote knieën dat hij niet is zoals zij: 'de verdoemde anderen'.
Degene die zondebok moet zijn heeft zelden een plezierig leven. Hij vecht om te overleven. Want wie eenmaal uitgestoten is, die wordt zelden weer toegelaten in de wereld van 'het grote men'...
Met vrijheid of moraal of liefde heeft dat alles niets te maken..
Maar waarom zou je daar ook voor vechten, wanneer je als deel van het goede collectief met behulp van geld en macht al die zaken - dus ook de moraal - kopen kunt?



"IJdelheid der ijdelheden, zegt de prediker;
ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.."


Het boek Prediker is onderdeel van de Hebreeuwse Bijbel. In de Tenach maakt Prediker onderdeel uit van de Geschriften (Ketoeviem) en daarbinnen van de zogeheten feestrollen, de Megillot.
Prediker behoort tot de wijsheidsliteratuur. Andere Bijbelboeken van dat genre zijn Spreuken, Job, een handvol van de Psalmen en de deuterocanonieke boeken De wijsheid van Jezus Sirach, Wijsheid en een deel van Baruch.