Eenling Worden
in een schijndemocratie



Kees Fens &
De Bibelebontse Berg

Zwolle, 19 november 1989


Hier is de sleutel van de bibelebontse berg:
Op die bibelebontse berg wonen bibelebontse mensen
En die bibelebontse mensen hebben bibelebontse kinderen
En die bibelebontse kinderen eten bibelebontse pap
Met een bibelebontse lepel uit een bibelebontse nap.

Je hebt schrijvers en schrijvers.
Zo ook critici en boekbesprekers.
Kees Fens behoort tot de laatste categorie.

Kees Fens is (we bevinden ons in het jaar 1989) als hoogleraar verbonden aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Iedere dag begeeft hij zich welgemutst en vol goede moed op weg naar school met een tas vol Nederlandse Literatuurboeken.
'Naar school', vraagt u, 'een hoogleraar in de vaderlandse literatuur?'
Jazeker, antwoord ik, want onder invloed van de linkse, op maatschappelijke relevantie gerichte vernieuwingsbeweging - een beweging die in feite rechtser was dan het meest kille liberalisme dat we in Nederland gekend hebben - is het zo verheven klinkende begrip 'universiteit' een volstrekt betekenisloos woord geworden.
Universiteit, dat borg voor mij, als na´ef en goedgelovig middelbaar-scholiertje, de klank in zich van geestelijke ontwikkeling en groei, omgang met gelijkgezinden, strijd tegen de middelmatigheid, die nooit een elitaire bezigheid kan zijn, omdat het begrip elitair een door en door middelmatig begrip is.
Maar ach, na´viteit wordt bestraft in het kille dromenland der ideologen. Zo ook mijn na´viteit.
Niet dat ik nu minder na´ef geworden zou zijn, dat niet, want wie een na´ef karakter bezit, die zal dat altijd behouden (tenzij hij het zich door middelmatige lieden laat afpakken), nee, ik weet dat ik hier ben om bestraft te worden en daar ik houd ik domweg rekening mee.
Waarom schrijft iemand, kun je jezelf afvragen, wanneer hij weet dat de burgerlijke elite (links of rechts of allebei, wat doet het ertoe..) er alleen maar op uit is hem te bestraffen? Is het misschien een uiting van masochisme, de wil tot lijden wellicht?
Niets van dat alles. Het tegendeel is het geval. Er is juist sprake van een sterk uitgesproken wil tot leven en daarom moet je de moed hebben op te komen voor jezelf. Niet toegeven aan de dwang en de terreur van anderen, nee, gewoon jezelf laten zien zoals je bent en wilt zijn, hoe hard de anderen ook op je inslaan.
De schijnheiligheid gaat onherroepelijk aan zichzelf te gronde. Wanneer je maar volhoudt. Daar gaat het om!

Kees Fens ervaart het niet als een last om schoolmeester te zijn, en dat vind ik eigenlijk heel gewoon. Waarom zou hij dat erg moeten vinden? Het beroep van schoolmeester is een doodgewoon beroep en daar hoef je als intelligent mens niet op neer te kijken - hetgeen we dan ook niet doen.
Volkskrantcolumnist Hugo Brandt-Corstius is ook een schoolmeester - mijn god, wie is er eigenlijk niet een schoolmeester bij de Volkskrant? - en is de Volkskrant daarom een minderwaardige krant?
Een schoolse krant misschien, moraliserend, maar niet minderwaardig, nee, dat zeer zeker niet...
Weet u trouwens dat er plannen klaar liggen in de burelen van het Ministerie van Cultuur die de bedoeling hebben de mensen te verbieden een economisch-niet-relevante studie te kiezen? Allemaal in het kader van de verschoolsing van de samenleving!
O, ik zie het nog gebeuren dat Nederland ÚÚn groot schoollokaal wordt en wie gedurende de leertijd zijn tijd verdoet met spijbelen en loltrappen, die wordt weggeworpen in de maatschappelijke afvalbak, die telt niet langer mee.

Ik maak me daarover, eerlijk gezegd, niet zulke grote zorgen. Ik heb er nooit bij gehoord, dus wat kan me gebeuren? Wie niets te verliezen heeft, die is in feite onkwetsbaar en daarom kunnen we ons in deze schoolse tijden maar beter op de uitgestotenen richten, de outsiders, mensen die alleen staan, mensen die zijn afgewezen door de burgerij, mensen die geen 'school' willen maken, niet in letterlijke zin en niet in figuurlijke zin.

Kees Fens stelt het vraagstuk van de verschoolsing op versluierde wijze aan de orde in zijn Volkskrant-artikel 'Die anarchistische warboel op de Bibelebontse berg'.
In dat artikel werpt hij de vraag op in hoeverre er verband bestaat tussen jeugdliteratuur en volwassen literatuur. Is de volwassen lezer een andere lezer dan de kinderlijke lezer? En als dat zo is, is dat dan een positief gegeven? Is het volwassen worden een synoniem voor 'jezelf-worden'. Of is het tegendeel het geval, met andere woorden: is er sprake van een negatieve be´nvloeding door ouders en schoolmeesters?

Het zijn interessante vragen die Kees Fens hier opwerpt en het is jammer dat hij die vragen niet beantwoordt aan de hand van eigen leeservaringen.
Ondanks zijn belangstelling voor de kinderlijke literatuurwereld, komt het kind Kees Fens nauwelijks uit de verf in een betoog, dat een warrig, duister en abstract-academisch karakter draagt, een warrigheid die niet ongedaan wordt gemaakt door de ordelijk-literaire vorm waarin het artikel gegoten is.

Het kind Kees Fens duikt heel eventjes op, wanneer er gesproken wordt over de boeken die op hem de meeste indruk hebben achtergelaten: 'De wigwam in de stad' ("de sporen daarvan zijn na een halve eeuw nog in mij te vinden") en het boek 'Ontroerd', dat het kind Fens heeft opgezadeld met 'angstgevoelens'.
De inhoud van het boek, en daarmee de aard van die angstgevoelens, wordt niet besproken. De angst wordt niet uitgesproken en daarmee blijft het kind Fens een bleek, schimmig en abstract wezen, een zielig schepsel dat in een wereld van grote volwassen (literaire) mannen nauwelijks enige kracht bezit.
Kracht ontstaat daar waar mensen zichzelf tonen - ook al gaat dat zichzelf tonen gepaard met gevoelens van angst, verlegenheid en schaamte.
Ik kan me herinneren dat de aan ballet verslaafde schrijver Rudi van Dantzig (auteur van het spannende en ronduit indrukwekkende grote-kinderen-boek 'Voor een verloren soldaat') grote moeite had om zijn bekentenissen prijs te geven aan de openbaarheid.
Het kostte hem moeite, het berokkende hem leed, het was, heel eenvoudig gezegd, een pijnlijk gebeuren.
Dat boek van Rudi van Dantzig is geen anarchistisch boek - de stijl is niet hard, direct of realistisch (realistisch in de zin van kort, zakelijk, gericht op confrontatie en verandering). Het is wel een 'menselijk' boek, menselijk in de zin van ruimdenkend, begripvol en emotioneel.
Je moet veel gevoel en veel geduld bezitten om zo'n boek te schrijven, geduld dat ik niet bezit, zodat ik waarschijnlijk nooit zo'n boek zal schrijven.
Erg tragisch vind ik dat niet. Een mens moet zijn beperkingen kennen, er zelfs zijn kracht van maken, zonder anderen daarvan de dupe te laten worden. Alleen de jaloersen en de eerzuchtigen gunnen een ander zijn eigenheid niet. Ze leven niet, nee, ze nemen de wereld in bezit!, en ze spelen het zelfs klaar op de kapotgeslagen lijken van gevoelige anderen een 'gevoelig literair lied' te zingen. Hard. Brutaal. Gewetenloos...

De criticus Aad Nuis reageerde in een recensie in de Volkskrant op de volgende wijze op 'de verloren soldaat': "Een boek waarvoor ik graag een stapel fraaie maar lege romans cadeau geef..."
Een prijzenswaardige opmerking. Een stapel fraaie romans van de hand doen, terwille van een boek dat 'inhoud' heeft. De vraag echter, die zich nu onmiddellijk voordoet is: wat is dat dan: 'inhoud'?

Taalkundige logisch-positivisten maken van die vraagstelling onmiddellijk een kinderlijk woordenspelletje. Wat is de inhoud van het begrip inhoud? Kun je daar wel een zinnig antwoord op geven? Kunnen we niet beter onze mond houden?
Ik ben in dergelijke taalkundige filisterijen niet ge´nteresseerd. Ik zou willen dat de luitjes die alles zinloos vinden hun mond werkelijk eens een keer dichthielden.., waarom mensen lastig vallen met zinloos gepreek?
Inhoud, zeg ik, is een begrip dat persoonsgebonden is. Niet 'de taal' interesseert mij, maar 'de mens'.
Wie ge´nteresseerd is in het begrip 'inhoud' (leegte, volledigheid, etc.) die ontkomt er niet aan verbanden te zoeken die mogelijk bestaan tussen de wereld van het kind en de wereld van de volwassene.
Daarom vind ik het artikel van Kees Fens een bijzonder interessant artikel, ook al erger ik me bij tijden aan het wollige, maar ook warrige en duistere taalgebruik en aan dubieuze uitspraken als 'een kind kan niet kiezen, het neemt...' - onzin natuurlijk, want het 'nemen' van een kind is een intu´tieve daad en een dergelijke handelwijze is, ook al kan hij niet intellectueel worden verklaard, wel degelijk een eigen persoonlijke keuze.

Warrig taalgebruik zou verboden moeten worden! Wat te denken van de mysterieuze zin waarmee het betoog begint?

Het toevallige van de keuze. Dat moet benadrukt worden. Wie spreekt over 'de vraag van het kind', dwaalt, tenzij hij als de inhoud van die vraag alle beschikbare boeken beschouwt. Over de aard van 'de vraag van het kind' is even weinig te zeggen als over de inhoud van de vraag van de volwassen lezers.

En plaats daar, ter vergelijking, een op kinderlijk-zakelijke wijze geformuleerde boekbespreking van het kind Mario tegenover, een kort kernachtig betoog, waarmee Kees Fens zijn artikel afsluit:

Ik vind het een goed boek.
Ik vind de tekeningen vooral erg goed.
Het is een boek voor iedereen.
Voor jong en oud.
Het is wel een dun boek.
Het moet eigenlijk dikker zijn.
Ze hadden best de tekst weg kunnen laten.
In de tekeningen staat al een tekst.

Wanneer je gedwongen wordt hier als schoolmeesterachtige scheidsrechter op te treden dan moet je concluderen dat de hoogleraar Fens het, wat helderheid en duidelijkheid betreft, verliest van het kind Mario.
Het kind Mario weet absoluut niet wat 'mooischrijverij' is. Het woord 'verliteratuurd' kent hij niet. Hij is onafhankelijk. Hij is niet opgenomen in de tredmolen van een door competitiedwang en zelfbewijzingsdrift getiranniseerde volwassen samenleving.
Hij beperkt zich weliswaar in zijn bespreking tot uiterlijkheden (de inhoud van het boek komt helemaal niet aan bod), maar je begrijpt wat hij bedoelt, en dat kun je niet zeggen van de duistere openingszinnen waarmee Kees Fens ons, als volwassen, op orde gesteld hoogleraar, trakteert.

Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik vrees dat ik niet graag bij Kees Fens op bezoek zou willen gaan. Ik zou daar in Kees Fens zijn woonkamer zitten, in een grote oud-Hollandse fauteuil, de handen op de knieŰn, en ik zou een beetje bedremmeld, als een klein verlegen kind, voor me uit zitten kijken, niet wetend wat te zeggen.
Ja, ik voel me tussen schoolse mensen altijd erg klein en onbeduidend. Overal om me heen staan grote hoge boekenkasten, die als oude wijze mannen hun strenge blikken op me laten rusten.
En terwijl ik daar zit moet ik ineens denken aan een opmerking van de Belgische filosoof Leopold Flam in zijn boek 'Zelfvervreemding en zelfzijn' (uitgegeven door De Wereldbibliotheek in 1966).

"Wanneer men bepaalde boeken leest (..) voelt de eenvoudige lezer zich langsom meer kleiner worden en hij moet zich vasthouden om niet weg te vliegen. Het hoogstaande boek schijnt aan de arme lezer een stilzwijgende redevoering te houden. 'Ziet ge', schijnt het te zeggen, 'daar is het paleis van de goden. Ik ga u nu hun manifestatie laten zien, hun hoge en verheven ideeŰn. Gaat gij de ongelooflijke onbeschaamdheid hebben een indringer te worden in dit heerlijke paleis?'
De lezer krimpt langsom maar meer in. Helemaal anders gaat het hem wanneer hij een echt 'grote' ontmoet, dan stelt hij met verbazing vast dat een gelijke tot hem spreekt, dat die 'grote' hem zijn grootste en verborgenste geheimen vertelt en hij kijkt verwonderd op en vraagt: 'Ik? Is het tot mij dat ge spreekt? Behoor ik waarlijk tot dit hoge gezelschap? (..)
Langzamerhand komt de lezer tot de eenvoudige bescheidenheid van het diepe mens-zijn, waarin hij de hoge taak van zijn eenvoudig leven ontdekt."

Kees Fens wijst een contact met anderen niet af. Uit zijn artikel spreekt een duidelijk (humanistisch) verlangen naar overbrugging van de afstand tussen de wereld van het kind en de wereld van de volwassene. Daarom zit ik nu een beetje verlegen tegenover hem en ik staar met grote ogen naar de grote rijen boeken in de kasten tegenover mij.

"Heb jij ook zoveel leesboeken, jongen?", vraagt Kees me.
"Nee meester", antwoord ik, "nee, ik heb wel een paar boeken, maar niet zoveel. Hebt u dat allemaal gelezen?"
"Bijna alles, jongen", zegt Kees, en hij offreert mij een kopje thee.
"Dank u wel meester", zeg ik, "maar als ik vragen mag, hebt u ook boeken waarin wordt gelachen en gevloekt en gescholden. Of mogen zulke boeken niet in uw dure eikenhouten boekenkast staan?"
Kees kijkt me enige tijd onderzoekend aan en zegt tenslotte: "Wat ben jij toch een vreemde eigenaardige jongen. Waarom vraag je dat? Natuurlijk heb ik zulke boeken."
"Nou meester", zeg ik, "u praat daar anders nooit over, in uw artikelen in de Volkskrant. Ik bedoel, ik heb nog nooit eens echt hartelijk moeten lachen bij het lezen van uw stukken, en de helft ervan, daar snap ik eerlijk gezegd gewoon niks van."
Kees staat op en geeft me een vaderlijk klopje op mijn schouders: "Trek het je maar niet aan jongen", zegt hij, "hier, neem maar een koekje, ze zijn echt heel vers hoor", en dat laatste merkt hij op, omdat ik een beetje wantrouwend neerblik in de grote trommel, waaruit een enigszins muffige geur opstijgt.
"Je moet je gevoelens niet zo duidelijk laten blijken", zegt Kees wanneer hij de misprijzende trekken rond mijn mondhoeken opmerkt en hij glimlacht, omdat hij mij zo een eenvoudige en kinderlijke jongen vind.
"Ja meester", antwoord ik, heel gedwee en onderdanig, "u zegt het maar hoor...", en ik staar een beetje verdrietig en mistroostig naar de dampende porseleinen theekop, die op de glimmend-gewreven eikenhouten salontafel staat, naast een vaasje met droogbloemen en een asbak van kristal.
Ik houd niet van thee..., wat zeg ik, ik vind thee nog erger en kwaadaardiger dan het dodelijkste slangenvergif. En dan druk ik me uiterst zacht en mild uit...
Toch durf ik niet goed tegen Kees te zeggen dat ik niet van thee houd. Daarom knabbel ik op een wat landerige wijze aan het muffig ruikende koekje en ik kijk met steeds grotere wrevel omhoog naar de intimiderend-hoge boekenkasten.
"Meester", vraag ik, "hebt u mogelijk ook een hobby-zaaltje?", want ik herinner me ineens een film, die ik gezien heb bij de TROS of bij Veronica - wat maakt het uit - waarin rijke mensen hele grote kamers bezitten, waarin allerlei spullen staan waarmee een mens zich kan vermaken: Spoortreintjes, flipperkasten, biljarttafels, computers, sjoelbakken en ga zo maar door...
Kees wijst naar zijn boekenkasten, en hij doet me op dat moment denken aan een priester die de kelk met het bloed van Christus omhoog heft: "Daar staat mijn hobby, mijn lust en mijn leven..."
"O", fluister ik, onhoorbaar bijna, en ik voel me helemaal niet meer op mijn gemak in die plechtige, hooggeleerde ruimte.
"Ik heb best wel een paar geleerde boeken", mompel ik, en ik merk dat ik een hoogrode kleur krijg, van schaamte en verlegenheid natuurlijk, "maar dat zijn eigenlijk allemaal boeken die de mens vertellen dat hij eenvoudig en menselijk moet zijn. Vindt u dat raar, meester?"
Kees lacht en zegt: "eenvoud is het kenmerk van het ware", en ineens fleur ik weer helemaal op.
"Ja?", vraag ik, enigszins opgewonden, "meent u dat werkelijk meester, en hoef ik dan niet al die dikke literatuurboeken te lezen die u daar in die kasten hebt staan? Want dat wil ik niet hoor, mijn leven lang boeken lezen, want dan zou ik compleet seniel worden en dat zou toch zonde zijn van mezelf, zegt u nu zelf..."
Kees kijkt me peinzend aan. "Wat voor geleerde boeken zijn dat dan", vraagt hij, "die zou ik ook wel eens willen lezen."
"Flam", antwoord ik, "professor doctor Leopold Flam, uit BelgiŰ, want alleen daar schijnen ze nog te kunnen filosoferen vandaag de dag.. En geef me nu maar eens iets lekkers te drinken hoor, want ik blief helemaal geen thee, daar had je best eens naar mogen vragen...; naar wat ik lekker vind... Heb je geen limonade? Of likeur? Of pernod, dat groene spul uit Frankrijk, dat zo'n heerlijk mentholachtig dropsmaakje heeft - dat vind ik lekker - en dan in een groot glas, met veel water erbij."
"Jongen toch", zegt Kees, en hij schudt het hoofd eens heen en weer, "wat ben je toch een rare, aliteraire jongen", maar hij neemt toch het kopje dat het vieze, zwarte vergif bevat van tafel af en terwijl hij dat doet leg ik haastig het aan de randen wat afgeknabbelde koekje op het schoteltje neer.
"Ook niet lekker?", vraagt Kees.
"Bah", zeg ik, "hartstikke goor en smerig, Meester!", en we barsten samen in lachen uit.
Waarom zou ik genoegen moeten nemen met dingen die ik niet lekker vind? Waarom zou de ene mens de ander niet een plezier mogen doen? Waarom een ander niet iets geven wat hij dolgraag wil hebben? We hoeven hier toch niet de mensenhaat te prediken?

Maar om terug te keren naar dat betoog van Kees Fens, dat is dus volstrekt onbegrijpelijk, zoals ik daarnet al opmerkte. Die twee beginzinnen: 'Het toevallige van de keuze. Dat moet benadrukt worden'. Wie snapt daar nu iets van?
Ik zou mijn betoog niet op zo'n rare manier beginnen. Daarvoor ben ik te kinderlijk, te direct en te rechtlijnig, daarvoor mis ik wellicht ook de fantasie..; dat is heel goed mogelijk.
Ik zou zeggen:
'Een mens moet in zijn leven vaak keuzes maken. Dat kiezen is niet altijd een rationeel, verstandelijk gebeuren. In veel gevallen is er alleen maar sprake van blind, dus dom toeval. Het is goed om daar eens de nadruk op te leggen.' Helder, rechtlijnig en duidelijk, zoals u ziet. Een kind kan de was doen.

En dan het vervolg: "Wie spreekt over 'de vraag van het kind', dwaalt, tenzij hij als de inhoud van die vraag alle beschikbare boeken beschouwt."
Wat raar, denk je, die opmerking 'de vraag van het kind', die daar tussen aanhalingstekens is geplaatst. Wie heeft dat gezegd? Is het iemand anders? Of verwijst Kees Fens op een ingewikkelde wijze naar zichzelf? Waarom wordt mij dat niet verteld?
En dan die opmerking over de inhoud van de vraag, die alle beschikbare boeken zou betreffen. Het kan dan misschien een ordelijke zin zijn, een zin van hoog professoraal niveau, maar ik vind het toch echt een warrige, chaotische zin, die niet bepaald bijdraagt tot het vergroten van het begrip van de lezer, een zeer 'subjectieve tekst' derhalve, die een muur opwerpt tussen de spreker en de lezer, en daarmee het tegendeel van 'intersubjectief'.

Waarom zou je zo moeilijk doen? Om indruk te maken op de ander? En welke ander dan wel?
Ik ben een kinderlijk mens. Ik ben bovendien een nuchter mens, een Steenbok, een persoon die sterk onder invloed staat van de planeet Saturnus.
Steenbokken zijn (wanneer ze volgroeid zijn) eenzelvige, onafhankelijke naturen, die volstrekt niet ge´nteresseerd zijn in eer en roem. Else Parker vertelt in haar boek 'Astrologie en haar practische toepassing' het volgende over Saturnus (een planeet die in esoterische geschriften 'de poortwachter van de Tempel des Konings' wordt genoemd):

"Saturnus ontdoet ons van onze maatschappelijke ballast, ontneemt ons onze vrienden, onze misleidende genoegens, en brengt ons - goedschiks of kwaadschiks - in de eenzaamheid, waar wij de Stem van de Stilte kunnen horen. Daarom is Saturnus de vriend van hen die ernstig streven naar inzicht en levensverdieping..."

Een boek dat verwijst naar niks, naar niemand, hoe interessant en fraai gestileerd het ook is, is voor de zoekende mens van nul en generlei waarde. Luister naar de filosoof Flam:

"Een schrijver die maar gelezen en bewonderd wordt, geraakt in de eenzaamheid van de gedachte, zelfs wanneer hem grote roem te beurt valt. De eigenlijk grote en scheppende auteur verwezenlijkt zijn werk indien hij veel mensen ertoe brengt te schrijven en zelfs beter dan hij..."

Een auteur als W.F. Hermans wil de grootste en de beste zijn en hij wil door iedereen bewonderd worden, ook al verafschuwt hij zijn publiek en wil hij het alleen maar gebruiken om er zijn slechte humeur op bot te vieren.
Zo iemand ben ik niet. Ik schrijf op mijn manier en ik doe datgene wat ik belangrijk vind. Als ik moraliseren belangrijk vind dan doe ik dat. Als ik het sprookje of de anekdote op een bepaald moment beschouw als het juiste uitdrukkingsmiddel, dan hanteer ik dat instrument.
Dat is ook de reden waarom ik mijn debuutboekje 'Revolutie in het Gekkenhuis' de ondertitel 'Leerzame Verhalen' heb meegegeven.
Om aan te geven dat eenvoud net zo leerzaam is als ingewikkelde troep die geen hond begrijpt.

Zwolle, 19 november 1989


De hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de middeleeuwen tot heden.
Redactie: Harry Bekkering, P.J. Buijnsters, Tine van Buul e.a. 2e dr. Amsterdam: Querido, 1990. 710 blz.

De geschiedenis van het kinderboek vanaf de Middeleeuwen wordt beschreven door 16 medewerkers (lijst medewerkers p. 637-640) onder eindredactie van Nettie Heimeriks en Willem van Toorn. Apart hoofdstuk over drukkers/uitgevers van kinderboeken (587-635). Literatuuroverzicht over het kinderboek per periode p. 641-655. Index op personen en titels p. 675-710.