Eenling worden in een
Schijn-Democratie



Harry Mulisch & de moraal van de aangepaste mens
VKblog van 17 januari 2006, door Anarchist



In een weblog van Dr.D. (Slimbekeken) wordt Harry Mulisch aan de schandpaal genageld.
Hij zou zich schuldig hebben gemaakt aan de grootste zonde die een mens volgens hem kan begaan: 'antisemitisch zijn'...
"De schrijver Harry Mulisch [zo lezen we] is volgens een nieuw boek lid geweest van de Nationale Jeugdstorm van de NSB. De schrijver Dick Verkijk verwijt Mulisch zijn jeugdzonde verzwegen te hebben. Mulisch noemt het boek 'quatsch'.
De tekst werd aan een aantal dag- en weekbladen aangeboden, maar die zagen af van plaatsing. Uitgeverij Aspekt lanceert het boek deze maand. Verkijk reageert dan op alle kritiek.
Mulisch zelf was in het verleden blijkbaar begaan met Eichmann: "Eichmann is not some inhuman devil, but the person we all see in our mirrors."


Mijn reactie:

Als ik ergens een hekel aan heb dan is het wel aan vals moralisme, het onuitgesproken sadistische verlangen, een ander mens te demoniseren, zonder te kijken naar die gebieden, die buiten het politiek-correcte zwart-wit-kader vallen: het gebied van het begrijpende, aanvoelende, intellectuele grijs, een gebied dat binnen het pre-marxistische sociologisch-sociografische denken centraal stond, maar dat in de jaren 60 en 70 vervangen werd door enerzijds een statistische schijnwetenschappelijke benadering en anderzijds een moralistisch-utopistische benadering, aanvankelijk gebaseerd op aan het marxisme ontleende 'historisch materialistische waarden', een linkse benadering waarin ook geen plaats werd ingeruimd voor het als ouderwets en conservatief ervaren 'grijze denken'.

Toen ik als jong studentje in Utrecht arriveerde waren de anti-utopisten nog in de meerderheid. Het sociologisch instituut werd geleid door de hoogleraar Sjoerd Groenman, een man die zaken als utopisme, collectivisme en links-morele herbewapening niet bijzonder waardeerde.
Ik voelde ik me best thuis in zijn wereld en waar de wereld om mij heen eind jaren 60 koos voor de nieuwe mode - meelopen met de agressieve massa - daar bleef ik (noodgedwongen, omdat ik een overgevoelig, niet al te sterk buitenbeentje was) een rustige, eenzelvige enkeling, zo eentje die de wereld door zijn eigen ogen wil bekijken.

Die enkeling vertelt me dat de 'Harry Mulisch van de jaren vijftig en zestig' best wel deugde. De schrijver was op anarchistische wijze bezig met spiritualiteit, hetgeen betekent dat er in zijn wereldvisie geen plaats was voor zulke kleinburgerlijke zaken als 'het absolute kwaad' en 'het absolute goed' (die volgens de filosoof Nietzsche thuishoren in de wereld van de ressentimentsmoraal).
Een breuk trad op in de door primitieve moralisten gedomineerde jaren zeventig. Mulisch wilde niet langer een zweverige anarchist zijn. Hij wilde er (simpel uitgedrukt) 'bij horen' en hij wees daarom de wereld van de 'maatschappelijk irrelevante' fictie af: "De roman (zo stelde hij) is dood".
Tot groot ongenoegen van zijn schrijvende collega's (Hermans en Van het Reve) ontpopte hij zich als moralist, een kleinburgerlijke moralist wel te verstaan - niet in de zin dus van waarden genereren via relativering.
Zijn jaren 50 opvatting dat er in elk van ons een Eichmann schuilt is een relativerende uitspraak, die in dienst staat van een menselijke moraal, een moraal die in staat is te vergeven en mensen nieuwe kansen te bieden, omdat binnen die wereld niets heilig wordt verklaard - helemaal al niet een verleden dat door sadistische moralisten buiten het gebied van de wetenschap is geplaatst.


Om mijn opvattingen te verduidelijken voeg ik aan deze reactie een aantal eerder geschreven gedachten toe...


1. Hannah Arendt & de keuze voor de kwetsbare mens

Dat er binnen het jodendom (en de op het jodendom gebaseerde joods-christelijke religies) twee, aan elkaar tegengestelde, Messiasbeelden bestaan, de messias gezien als 'Mensenzoon' - de vijand van de dwingende elite - en de messias gezien als 'Goddelijke machthebber', die dwingend zijn wil oplegt aan de wereld, is een waarheid die weinig mensen daadwerkelijk onder ogen willen zien, waarschijnlijk daarom, omdat erkenning van die twee visies mensen dwingt een keuze te maken - kiezen voor opportunisme (willoos aan de kant van de machthebbers gaan staan) of kiezen voor een eerlijke, waarachtige levenshouding, hetgeen een gedragsvorm is die veel mensen angst inboezemt; ze schipperen liever, eten graag van twee walletjes en kiezen nu eens voor het een en dan weer voor het andere.

Begin jaren zestig vond er een discussie plaats tussen twee mensen met een joodse achtegrond: de filosofe Hannah Arendt en de Kabbalah-deskundige Gershom Scholem.
Onderwerp van het verhitte debat was Ahrendt's verwerping van het zionisme, hetgeen voor Gershom Scholem een reden was haar te beschuldigen van antisemitisme, hetgeen in zijn moralistische ogen niets anders is dan de weigering van mensen 'het joodse volk' lief te hebben.
Hannah Ahrendt gaf volmondig toe dat in haar opvatting van mensenliefde geen plaats is voor zulke liefdeloze zaken als 'aan tribalisme gebonden naties' en 'collectiviteiten'.
Mensenliefde, zo stelde zij, stijgt uit boven primitief groepsdenken en richt zich altijd op de enkeling die juist daarom liefde nodig heeft omdat hij als kwetsbaar wezen het tegendeel is van 'een God'.
Zionisme, zo luidde de aanklacht van Hannah Arendt, wendt de aandacht af van de kwetsbare enkeling en laat mensen geloven dat ze als onkwetsbare goden niets en niemand nodig hebben, behalve dan het geloof in de eigen onoverwinnelijke kracht.
"Waar zionisme joden afwendt van een kwetsbaar makende God en ze laat geloven in zichzelf, daar kan ik niet van joden houden", zo stelde zij... (gegevens ontleend aan Ann Pettifer's 'Zionism unbound')

2. Hannah Arendt & De breuk met rechts extremisme

Hannah Arendt kan ik als anarcho-liberale denker daarom een belangrijk denker noemen omdat zij zichzelf heeft los geworsteld uit een rechtse pro-zionistische, op elitair machtsdenken gefundeerde joodse leefwereld, aan het ontstaan waarvan zij op actieve wijze heeft meegewerkt.
Ondanks dat rechtsmilitaristische verleden (ook zij was - net als Ariel Sharon & zijn extreemrechtse vrienden - de mening toegedaan dat de joodse staat een staat moest zijn die diende te worden opgebouwd rondom een sterk, onverslaanbaar leger) wist zij in het jaar 1960, tijdens het Eichmann-proces de moed op te brengen Eichmann - die verantwoordelijk werd gesteld voor de dood van miljoenen onschuldige mensen - te verdedigen.
Eichmann was niet de kwade genius die moralisten van hem probeerden te maken, stelde zij. Hij was slechts een product van een kleinburgerlijke omgeving waarin mensen het nadenken wordt afgeleerd.
Eichmann's kwaad was in de eerste plaats gedachteloosheid, onnadenkendheid, het onvermogen fundamentele vragen te stellen en het klakkeloos accepteren van een bestaansvisie die de mensen op een autoritaire wijze van bovenaf wordt opgelegd.

3. Eichmann & de Macht

Eichmann was een man die zich niet schuldig voelde, een man die zei dat hij maar een onbeduidend radertje was in een groot geheel en dat elk protest daarom zinloos zou zijn, omdat de macht alomtegenwoordig was.
MACHT (als vijand van het dienende gezag) is gericht op het doden van het geweten. Pure, blinde macht is altijd gewetenloos.
MACHT eist dat we geestelijk dode mensen zijn die willoos en kritiekloos kiezen voor morele schizofrenie: het een zeggen en het andere doen.
In de wereld van de MACHT is de mens in zekere zin een plant. Hij denkt dat hij vrij is, maar hij is een marionet, die gehoorzaam de bevelen van de leiders volgt.
Elke enkeling die uit de tredmolen wil stappen wordt vernietigd.
Daarom zwegen de Duitsers, en daarom zwijgen wij. Want ook wij leven in een wereld die de MACHT boven het RECHT heeft geplaatst. We geloven dat de vijand van de MACHT de duivel is en met de duivel kunnen we geen zaken doen.
Dat betekent dat het blindelings veroordelen van Adolf Eichmann zinloos is. Dat oordeel krijgt alleen betekenis wanneer we zelf moediger zijn dan Eichmann - dat we MACHT durven te veroordelen, ook wanneer de MACHT 'goed' is verklaard.
Maar we zijn niet moedig. We lopen liever mee met de anderen. Net als Eichmann hebben we onze baan, ons gezin, onze sociale contacten en net als Eichmann zien we ons geplaatst tegenover een reusachtig netwerk van machtige reuzen, die ons het gevoel geven dat we kleine nietige insecten zijn, die met een enkele klap doodgeslagen kunnen worden.
Daarom zwijgen we en doen we niets. We spelen een spel. We demoniseren er lustig op los. We spelen rechtertje met verlos. Maar het is een zinloos spel. Omdat de MACHT elk rechterje dat een echte rechter wil zijn doodslaat.

"Men kan het gespletenheid noemen. Ik heb geweten en beroep van elkaar gescheiden. (...) Ik moest gehoorzamen. Niemand kan zeggen dat ik mijn werk niet goed heb gedaan." Adolf Eichmann

Wim Duzijn, Zwolle, Nederland