Eenling worden in een
Schijn-Democratie



Hans Andreus en de Dood
VK-blog van 13 juli 2009 door Wim Duzijn



Wanneer men liefheeft,
komen de wormen weer,
de wormen met hun kleine koppen,
de wormen van de laffe dood.

Niet van de echte dood, de echte
dood is groot en heeft een licht,
een zon in zijn handen,
witte zon, naakte zon, zon zonder tijd...

Hans Andreus
in de gedichtenbundel 'Zoon van Eros'


De dichter Hans Andreus is een man die trouw is gebleven aan de filosofie van de jaren vijftig.
De Vijftigers (een begrip dat verwijst naar de experimenteel-literaire groep waar hij op niet bijzonder actieve wijze deel van uitmaakte) gingen elk een eigen weg en als groep hebben ze na 1955 eigenlijk nooit meer echt iets van zich laten horen.
Dat bleek met name in de jaren zestig en zeventig, toen het op 'actievoeren' gerichte marxisme op een genadeloze wijze de literatuur wilde vermoorden:
Fictie, zo stelde men, was asociaal gekleuter, het ging er om de werkelijkheid van het leven onder ogen te zien. "De roman", zo stelde de in Fidel wedergeboren schrijver Harry Mulisch, "is dood."
Van lichamelijke liefdespoëzie was geen sprake meer. Want de lichamelijkheid werd op de meest letterlijke wijze ontdaan van alle poëtische aspecten. De naakte mens (inclusief het kind) werd een object. En de weinige mensen die naar onvolwassen makende tederheid verlangden stonden in de kou.
De meeste Vijftigers keken zwijgend toe. Ze staarden zich blind op de buitenkant van het gebeuren. Ze leefden in een roes (denk aan Simon Vinkenoog met zijn volmaakt liefdeloze 'sex & drugs'-boodschap), en ze weigerden als denkende voelende enkelingen aan de kant te gaan staan.
De eens zo barokke schrijver Hugo Claus sloot zich aan bij een schrijverscollectief dat de volstrekt lichaamsloze, anti-erotische marxistische revolutie op Cuba wilde steunen. En de experimentele Vijftiger die aan zichzelf gelijk bleef, de dichter Gerrit Kouwenaar, was binnen de beweging uitgerekend de man, die poëzie in het leven riep, die met poëtische lichamelijkheid weinig of niets te maken had.

Waar Hans Andreus in zijn werk kinderlijkheid uitstraalt, daar is Gerrit Kouwenaar de volwassen geworden dichter die een naar liefde verlangend mens weinig te vertellen heeft, behalve dan een reeks stamelend uitgesproken onzinklanken, waar alleen die lezers door geraakt worden die in staat zijn met de duimstok in de hand de gevoelsdiepte van een literair product te bepalen.
Als een galmende, maar helaas gebarsten klok van gegoten brons staat hij te beieren in de wijde Hollandse vlakten - ferm en ongenaakbaar de stormen der eeuwen trotserend - een bizarre gedaante van stro en lappen die met grote bossen ijzerdraad aan een stok is vastgebonden, woest strijdend met de krachten van de natuur - dondervogels, vleersissende vleugelwezens, vliegend, walsend om hem heen - tij en ontij - weer en wind - doorheen de jaren zestig, zeventig, tachtig en negentig - vloeiend, sissend, krakend beenderenskelet - tot de mist in wolken neerdaalt - wazig, wolkend, druipend aan de bomen - alles hullend in de grijze stilte van onzichtbaarheid - langzaam, maar toch erg zeker - 'old soldiers' - water walsend in de polders - 'soldiers' - wegdruppelend in de naden van een krimpende tijd - 'never die, just fade away..'

Een gulle man dus, Gerrit Kouwenaar, dat wel, een goedertieren wijze, die muts- en mijterloos zijn dichterswoorden als pepernoten de hemel in werpt, in de verwachting dat wij allen - net als de 'atonale' poëziemaker Simon Vinkenoog, die ik soms in gedachten voor me zie als een kleine orgeldraaier met een reusachtige aap op zijn schouder - als kleine, enthousiaste kleuters ons op de knieën werpen, teneinde op zoek te gaan naar wat miniscule ronde koekjes van beton, hoewel iedere serieuze opvoeder je zal kunnen vertellen dat kleuters hun niet al te stevige kleutertanden daar finaal stuk op bijten, zodat zij al vroeg de betekenis leren inzien van dat verheffende Hollandse spreekwoord: 'Met de mond vol tanden staan.'

Gerrit Kouwenaar lezen, dat is melktandjes onder het hoofdkussen leggen, in de hoop dat een kleine kabouter ze tijdens de diepe droomloze kinderslaap om zal ruilen voor blinkende goudstukjes.
O, je bent jong en naïef en je trapt in alle vallen die de volwassen cultuurmakers voor je klaarzetten en als je huilt dan slaan ze je om de oren en ze geven je een standje en als je heel erg gelukkig bent dan sturen ze je naar de psycholoog - die weinig meer mag zijn dan een met schoensmeer ingevette Zwarte Piet in het door Hollandse dichters geschapen Sinterklazenland.
In een dergelijke wereld die geregeerd wordt door magiehatende woordaanbidders tref je weinig wetenschappers aan die de menselijke psyche echt serieus nemen.
Mensenverachters noem ik ze, de nieuwe magieloze psychologen, die met al hun goede bedoelingen de problemen van een enkeling nooit echt serieus zullen nemen, vooral ook daarom, omdat een mens helemaal geen psychische problemen behoort te hebben - daar kijkt een psycholoog vol minachting op neer: dat is een vreemde wereld voor zieke anderen, waar hij als gezonde volwassene geen deel aan heeft - omdat deel uitmaken van de wereld van de ander 'liefde' is...

Een psycholoog wordt daarom alleen uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan het publieke debat, wanneer hij onder ede verklaart dat hij naar niemand luisteren wil.
Het lijkt misschien wonderlijk, dat binnen een journalistieke wereld alleen diegenen die niet in staat zijn te luisteren naar een ander de hoogste punten scoren op de waarderingsladder, maar wie jarenlang als een echte geduldige onderzoekende buitenstaander de Hollandse media heeft bestudeerd, die weet dat in het ideologische rijk der slechthorenden degene die stokdoof is altijd Koning is...

Het Nederlandse establishment heeft in de (neoliberale) jaren tachtig - de jaren waarin de door de bij het magische denken behorende verbeelding definitief bij het grof vuil werd neergezet - de arbeid tot hoogste levenstaak van de mens verheven.
Dat gebeurt zo nu en dan. Meestal zijn het rechtse regimes die de arbeid heilig verklaren, maar het onderscheid tussen links en rechts is in dit land in de jaren tachtig volledig opgeheven, zodat het eigenlijk zinloos is om in dit land nog te spreken over goed en slecht.
De Nazi's waren slecht, zeggen ze. Maar toch verheerlijkte het nationaal-scoalisme de zegeningen van de arbeid ('werk, werk, en nog eens werk') en voor luiheid en decadentie was er in hun gezonde-mannen-wereld geen plaats.
Gezonde hardwerkende blonde jongens, lang en fors en sterk, en gezonde blonde vrouwen, staren je aan vanaf de propagandafolders die door de NSDAP werden verspreid, en middels de bijgevoegde teksten werd iedereen op het hart gedrukt toch vooral hard en flink te werken.
Dan worden we mensen van staal die gezonde stalen kinderen op de wereld zetten en dan zijn we van alle door decadente halvezachten in het leven geroepen maatschappelijke problemen verlost.
Wie in zachtheid en tederheid cultuur wil zien is ziek.

Het is alsof in Nederland die Nazi-droom wordt waargemaakt - het kan toch geen toeval zijn dat de jongens en meiden hier steeds meer op de nationaal-socialistische 'Uebermensch' gaan lijken..?
Nergens ter wereld zijn de jongeren zo reusachtig groot en sterk en gezond..; nergens anders zijn kinderen al op hun twaalfde geen kinderen meer - en nergens heerst meer schaamte wanneer men een kind vraagt 'gewoon kind' te zijn..

De krankzinnige benadrukking van het belang van arbeid maakte in Duitsland de acceptatie van het concentratiekamp mogelijk. Want wat is een concentratiekamp?
Niets anders dan een werkkamp, omgeven door een bos prikkeldraad, met ergens in het midden een zwaar bewaakte toegangspoort, waarboven een groot bord bevestigd is, met daarop de fatsoenlijke eeuwigrechtse burgermanstekst: Arbeid Maakt Vrij...
Voor de gemiddelde Duitser was in de jaren dertig een concentratiekamp weinig meer dan een normaal voortvloeisel van de heersende moraal: een kamp waar luie, onmannelijke uitvreters te werk kunnen worden gesteld.
Wat dat betreft mogen we de Nationaal-Socialisten dankbaar zijn. Ze toonden aan dat het begrip 'uitvreter' een relatief begrip is, met andere woorden, het is geen begrip dat naar een werkelijkheid verwijst die met behulp van objectieve criteria omschreven en gedefinieerd kan worden.
Stellen we ons nu bij uitvreters donkere mannen met zwarte brillen en zware wenkbrauwen voor, meestal werkschuwe pooierstypen, die allemaal in de vrouwen- en kinderhandel zitten.., in de jaren dertig zag het uitvretersbeeld er heel anders uit. Toen werden vooral intellectuelen als gevaarlijke nutteloze mensen aangemerkt. En hoe intellectuelen er uit zien wisten ze in Duitsland heel goed...
'Mannen met brillen', werden ze genoemd, een typering die er toe leidde dat veel brildragende intellectuelen in de kampen hun brillen aan gruzelementen sloegen, om te voorkomen dat ze door de bewakers extra gepakt zouden worden.
Naast de als nutteloze uitvreters beschouwde kritische intellectuelen werden ook andere mensensoorten als lui en onmannelijk beschouwd, met name handel drijvende joden, zinloos rond trekkende zigeuners en onmannelijke homosexuelen, allemaal mensen die volgens het Nationaal-Socialistische vooroordeel te beroerd waren om eerlijke mannelijke arbeid te verrichten in dienst van de tot God verheven Duitse staat.

De gemiddelde Duitse burgerman zag er weinig kwaad in, in een werkkamp, want de essentie van de kleinburgerlijke filosofie is altijd geweest dat alleen degene die de handen flink uit de mouwen wil steken een nette fatsoenlijke burger is.
Wat dat betreft verschilt de mentaliteit van de vooroorlogse Duitser niet van de mentaliteit van de gemiddelde moderne Nederlander, die in feite geen andere spirituele norm meer kent dan 'wie werkt is goed, en wie niet werkt is slecht'.
Op stilstand gerichte kunst en cultuur, waarin niet de eeuwige beweging van 'de arbeid' centraal staat, zijn zaken waar een geslaagd mens in feite geen belangstelling voor heeft, ook al schept hij zelf 'cultuur'.
De geslaagde steekt op ferme, stoere wijze de handen uit de mouwen, zelfs wanneer de hele wereld aan zijn werklust ten onder gaat en we allemaal in een bedje vol gif naar de diepste diepten van de hel suizen, die, dat spreekt vanzelf, gebouwd is door sterke succesvolle jongens en meiden, omdat de gemiddelde pechvogel te zwak en te lui is om de zware betonnen heipalen de geblakerde bodem van de hel in te slaan...
Een sterke geslaagde kent geen weekmakende romantische liefdesgevoelens en medelijdende sentimenten, want het toelaten van dergelijke gevoelens zou er toe leiden dat men de mislukte ander moet gaan zien als slachtoffer en dat is nu precies wat de geslaagde mens wil voorkomen.
Daarom haat hij 'mislukking' en neemt hij zich voor nog harder te gaan werken, alleen maar om te voorkomen dat hij deel gaat uitmaken van een wereld waarin de mens alleen maar mislukken kan...

En fraai voorbeeld van deze machocultuur binnen de wereld van de kunst is de schrijver Jan Cremer, die een wereld schept waarin voor zoiets weeks als 'liefde' in feite geen plaats meer is. Luister naar zijn credo...

"Ik wil macht hebben. Macht is alleen maar geld"
"Ik werk om te leven en ik leef om te werken"
"Snel als de windhond, taai als leer, zo hard als staal!"
"Ik ben beroemd, ik heb twaalf miljoen boeken verkocht, als ieder boek door tien mensen gelezen of gezien is, dan zijn er honderdentwintig miljoen mensen die me kennen."
"Willem Frederik Hermans is de enige schrijver die ik bewonder, hoewel hij soms dingen neerzet waar ik echt geen fluit van begrijp."
"Mijn vader had het motto: Liever honderd gulden schuld dan vijf minuten verdriet. Dat vind ik een erg goede."
"Over vrouwen kan ik weinig vertellen... Zoals ik een kenner van bier ben, ben ik ook een kenner van vrouwen en verder niets."
"Dit is voor mij het beeld van de Hollandse vrouw op zich. Blond, een Germaanse, harde industriekop, goed van vlees, mollige bovenarmen, grote prammen, brede schonken, lekkere billen, stevige poten met gespierde kuiten en dikke enkels..."

Erg moedig kan ik zo een cultuurmaker niet noemen. Alles wat Jan Cremer met zijn werk aantoont is dat het mooie, dure begrip 'kunstenaar' je niet beschermt tegen filisterij - jezelf gevangen zetten in een web van laffe op aanpassing gerichte vooroordelen dus - die nu juist door een kunstenaar bestreden zou moeten worden.
Het is erg leuk om mensen tot kleinburgers uit te roepen, maar wanneer je daarbij alleen maar kleinburgerlijke gevechtsmethoden gebruikt, dan zul je het feit moeten accepteren dat je uiteindelijk zelf ook weinig meer bent dan die verderfelijke kleinburger, waar je zo hard tegen tekeer ging. Dan bouw je een volstrekt clichématige wereld op, waaruit alles verdwijnt wat je zwak, kwetsbaar en weerloos maakt - en dan heb je niet de maatschappij aangevallen, wat toch eigenlijk de bedoeling was, maar dan heb je een doodgewone extreemrechtse wereld opgebouwd - waarin alleen de harde, hardwerkende naar macht en geld en status verlangende mens kan overleven.

Seth Gaaikema - in veel opzichten de tegenpool van Cremer - leverde (ooit, in lang vervlogen tijden alweer...) tijdens een conference die diende ter afsluiting van het oude jaar kritiek op het toenemende streven naar verzakelijking en economisering van ons bestaan.
Seth is niet het prototype van de sterke man. Eerder het tegendeel. Maakt een vrouwelijke indruk. Is homosexueel. En heeft daarenboven een onmannelijk stemgeluid, zodat hij in kringen waar ze net als Jan Cremer allemaal gewone volksjongens willen zijn niet bijzonder geliefd is.
Seth Gaaikema wilde graag het gevoel zien terugkomen in de politiek.
Erg lullig natuurlijk wanneer je dat moet doen als iemand die door de eigen collega's niet eens serieus genomen wordt…
Die zijn niet zwak en die hebben geen vrouwelijk stemgeluid. Nee, die schreeuwen er een eind op los (denk aan het aan succes verslaafde duo Freek & Joep) en die weten van gekkigheid niet wat ze met hun mannelijke teveel moeten doen…

Hans Andreus was een man met gevoel, een van de weinige Hollandse dichters die weten wat ontroering is, een man, die de spirituele, niet op lafheid gebaseerde liefde serieus durfde te nemen: de moedigste daad die je kunt stellen in een anti-anarchistische wereld, waarin de economie boven geestelijke ontwikkeling wordt geplaatst.
"Wie of wat je bent, kan me niet schelen", stelt hij, "maar god, verbrand de wormen van de laffe dood..." "In wat leeft leven de wormen en vreten van de liefde en vreten van het goede leven.."
"Wanneer ik het niet meer vind in de wereld", lees ik in het gedicht 'Wanneer' , "laat mij dan donker worden, als de zee 's nachts, laat mij dan uitgaan als een vuur in de regen. Want dan zal ik zozeer hebben gefaald, dat ik mijzelf geen mens meer mag noemen. Laat mij dan alleen maar een dode zijn in het slechte gezelschap van zijn laatste gedachten..."

En terwijl je dat leest voel je hoe de koude van een liefdeloos tijdsgewricht, in stand gehouden door aan succes verslaafde mensen die de succesloze liefde in de uitverkoop hebben gedaan, de dichter in jezelf steeds zwakker en machtelozer maakt...
Zwijgend luister je naar de woorden die zich openbaren in je ziel...

De kleine duiven werden
bittere roofvogels uit de bergen...
De grote liefde valt in kleine
bladeren op de stroom.

En je vraagt af wat je moet doen. Want je voelt je als buitenstaander machteloos tussen de machtige geslaagden. Omdat je niet weet wat het simpele verlangen naar Liefde uit kan richten in een wereld waarin zelfs de duiven havikken zijn geworden...
Alleen maar wachten?, denk je. Wachten op het moment, waarop de liefdeloze geslaagden hun verstikkende, verschroeiende laatste adem uit zullen blazen...?
Het is een gedachte die je niet populair zal maken. Wie wacht wordt in de wereld van de geslaagde te boek gesteld als 'mislukkeling'. Maar het is in elk geval een serieuze gedachte - omdat wachten protesterend stilstaan is...
Het is niet veel, dat weet je. En toch ook alles...
Want het is de Grote Liefde, die zwijgend en ongezien - in de vorm van kleine bladeren - neervalt op de stroom...


Hans Andreus, pseudoniem van Johan Wilhelm van der Zant (Amsterdam, 21 februari 1926 – Putten, 9 juni 1977) was een Nederlandse dichter en schrijver.
Op poëziegebied wordt Hans Andreus (1926-1977) nogal eens tot de experimentele dichtersgroep de Vijftigers gerekend, maar met zijn onontkoombare eigen geluid en visie vormt hij eigenlijk een richting apart. Hoewel hij zichzelf ‘dichter’ noemde, beoefende Hans Andreus het schrijversvak op een zeer veelzijdige manier. Naast proza en poëzie voor volwassenen, schreef hij een groot aantal versjes- en verhalenbundels voor kinderen.


Reacties

fred van der wal 13-07-2009 13:03
Hè,hè, het gaat nu om de concrete zaken des levens in begrijpelijke Grote Mensen Taal!

Wim Duzijn 13-07-2009 16:25
Ik ben van alle markten thuis FRED.
Jij ook?

vuurjuffer 13-07-2009 14:34
een mooie bijdrage, zondermeer

curunir 16-07-2009 22:06
Ja Wim, zoals meestal ben ik het eens met je.
Ik denk wel dat Vinkenoog meer gemeen heeft met Andreus dan ik vermoed dat jij denkt.
Lees eens de bijdragen van de laatste jaren op zijn site, dan komt een man naar voren die toch wel enkele lessen heeft geleerd en steeds op het belang van EENHEID en LIEFDE wijst. Niet meer alleen 'liefdeloze' seks & drugs, maar juist een bezielde omgang ~ ook daarmee.
Achter de provo- en performance-artiest gaat vaak een gevoelige en intelligente eenling schuil. Luister bijvoorbeeld eens naar VPRO marathoninterview met Johnny van Doorn. Je zou hem maar al te gauw voor een wat platte, woest brullende aandachtstrekker verslijten. Maar er blijkt wel degelijk meer in te zitten.

Wim Duzijn 17-07-2009 09:44
HANS ANDREUS was gevoelig en serieus op een serieuze wijze (Lucebert noemde zijn werk daarom op een behoorlijk neerbuigende wijze 'jongejuffrouwenpoezie'...).
Vinkenoog was ook gevoelig en serieus, maar niet op een wijze die ik als serieus ervaar. Het spirituele begrip 'dood' heeft eigenlijk nooit een rol van betekenis gespeeld in zijn leven.
Als ik een keuze moet maken kies ik toch echt voor ANDREUS. Dat neemt niet weg dat ik als buitenbeentje erg veel sympathie kan opbrengen voor de outsider VINKENOOG.
"Poezie", stelde Andreus, "is lullig of niet lullig". Ik geloof dat je rustig mag stellen dat Vinkenoog geen lullige dichter genoemd mag worden.
Wat wel lullig is , dat is de wereld die wordt beschreven in het gedicht 'de pendule', een gedicht dat in zeker opzicht een antwoord is op de kritiek van Lucebert...

Tik, tik, tak, zegt de pendule,
'k voel me zwak, zegt de pendule,
ik ben bijna van echt goud,
maar ook zoveel eeuwen oud.

Ik ben oud en ziek geworden
en dus echt antiek geworden.
Ik loop uren achter, maar
niemand kijkt daar werklijk naar.

Vroeger zag ik kaarslicht glanzen,
mooie dames deftig dansen
met een generaal of vorst
tien medailles op hun borst.

Vroeger tikte ik de uren
van een maaltijd die kon duren
- vol muziek en praal en pracht -
van de middag tot de nacht.

Maar nu sta ik hier maar zo
in een luxe bungalow
naast een klok die nooit eens slaat
omdat hij elektrisch gaat.

En ik zucht: tiktik, taktak, -
en ik voel me ziek en zwak
en zelfs dubbel zwak en ziek
als men zegt: ‘Die 's ècht antiek!’

Hans Andreus, 1967