De Liefde en de Dood

...je komt alleen, je leeft alleen, je sterft alleen ...
Jan Cremer

Wanneer men liefheeft,
komen de wormen weer,
de wormen met hun kleine koppen,
de wormen van de laffe dood.

Niet van de echte dood, de echte
dood is groot en heeft een licht,
een zon in zijn handen,
witte zon, naakte zon, zon zonder tijd...

Hans Andreus,
in de gedichtenbundel 'Zoon van Eros'

Zwolle, 7 april 1990

De wormen van Hans Andreus

Soms denk je, 'een mens kan maar beter stil zijn'.
Soms ook weet je dat je praten moet, druk en haastig, omdat het zwijgen alles dient, behalve die ene belangrijke zaak in het leven van de mens: De Liefde.
En als je dat weet, dan is het fijn om in de wereld om je heen iemand aan te treffen die het met je eens is, iemand die je meest wezenlijke verlangens wat mooier en steviger wil maken, een medestrijder als het ware, iemand die weet dat in een onverschillige wereld gelijkgestemde geesten elkaar steun en troost moeten bieden.
Zo een persoon, die weet dat zwijgen een bedreiging is, een lasterlijke verwerping van de ware menselijkheid, die iedere dichterlijke geest (wat is een dichter anders dan een mens met gevoel…) met hart en ziel wil verdedigen, is Hans Andreus (1926-1977), volgens mij de enige vertegenwoordiger van de Vijftigers, die werkelijk iets te zeggen had.


De Vijftigers: samenvattende benaming voor een aantal dichters die in het begin van de jaren vijftig van de 20ste eeuw de Nederlandse poëzie een revolutionaire wending wilden geven. Tot de groep behoorden o.a. Lucebert, Kouwenaar, Campert, Andreus, Elburg, Schierbeek, Vinkenoog en Polet. Sterk verwant aan de Experimentele Groep Holland, waaruit Cobra voortkwam, braken zij met traditionele vormen en stonden zij een 'lichamelijke' poëzie voor. (Encarta Encyclopedie)


De Vijftigers gingen hun eigen weg en als groep hebben ze na 1955 eigenlijk nooit meer van zich laten horen. Dat bleek met name in de jaren zestig en zeventig, toen het marxisme op een genadeloze wijze de literatuur wilde vermoorden.
Van lichamelijke poëzie was geen sprake meer. Want de lichamelijkheid werd op de meest letterlijke wijze ontdaan van alle poëtische aspecten. De naakte mens werd binnen een platvloers-materialistische wereld gereduceerd tot een object. En de weinige mensen die naar tederheid verlangden (zoals de volledig vergeten filosoof Ton Lemaire) stonden in de kou.
De meeste Vijftigers keken zwijgend toe. Ze staarden zich blind op de buitenkant van het gebeuren. Ze leefden in een roes, en stonden niet als denkende voelende enkelingen aan de kant.
De eens zo barokke schrijver Hugo Claus sloot zich aan bij een schrijverscollectief dat de volstrekt lichaamsloze, anti-erotische marxistische revolutie op Cuba wilde steunen. En de Vijftiger die aan zichzelf gelijk bleef, de dichter Gerrit Kouwenaar, was binnen de beweging uitgerekend die man, die poëzie in het leven riep, die met poëtische lichamelijkheid helemaal niets te maken had.

Gerrit Kouwenaar is een dichter die weinig te vertellen heeft, behalve dan een reeks stamelend uitgesproken onzinklanken, waar alleen die lezers door geraakt worden die in staat zijn met de duimstok in de hand de gevoelsdiepte van een literair product te bepalen.
Als een galmende, maar helaas gebarsten klok van gegoten brons staat hij te beieren in de wijde Hollandse vlakten - ferm en ongenaakbaar de stormen der eeuwen trotserend - een bizarre gedaante van stro en lappen die met grote bossen ijzerdraad aan een stok is vastgebonden, woest strijdend met de krachten van de natuur - dondervogels, vleersissende vleugelwezens, vliegend, walsend om hem heen - tij en ontij - weer en wind - doorheen de jaren zestig, zeventig, tachtig en negentig - vloeiend, sissend, krakend beenderenskelet - tot de mist in wolken neerdaalt - wazig, wolkend, druipend aan de bomen - alles hullend in de grijze stilte van onzichtbaarheid - langzaam, maar toch erg zeker - 'old soldiers' - water walsend in de polders - wegdruppelend in de naden van een krimpende tijd - 'never die, just fade away..'

Een gulle man, de vijftiger Gerrit Kouwenaar, dat wel, een goedertieren wijze, die zijn onbegrijpelijke woorden als pepernoten de hemel in werpt, in de verwachting dat wij allen - net als de 'atonale' poëzie-maker Simon Vinkenoog, die ik altijd in gedachten voor me zie als een kleine orgeldraaier met een reusachtige aap op zijn schouder - als kleine, enthousiaste kleuters ons op de knieën werpen, teneinde op zoek te gaan naar zijn kleine ronde koekjes van beton, hoewel iedere serieuze opvoeder hem zal kunnen vertellen dat kleuters hun niet al te stevige kleutertanden er stuk op bijten, zodat zij al vroeg de betekenis leren inzien van dat verheffende Hollandse spreekwoord: 'Met de mond vol tanden staan.'

Gerrit Kouwenaar lezen, dat is melktandjes onder het hoofdkussen leggen, in de hoop dat een kleine kabouter ze tijdens de diepe droomloze kinderslaap om zal ruilen voor blinkende goudstukjes.
O, je bent jong en naïef en je trapt in alle vallen die de volwassenen voor je klaarzetten en als je huilt dan slaan ze je om de oren en ze geven je een standje en als je heel erg gelukkig bent dan sturen ze je naar 'de psycholoog'.

In een linkse wereld, een wereld dus die geregeerd wordt door machtaanbidders (je zou zo'n wereld ook rechts kunnen noemen natuurlijk, maar dat werkt zo verwarrend..), tref je erg weinig psychologen aan. Alsof het beroep 'psycholoog' niet in het rijtje van linkse, d.i. machtverlenende beroepen thuishoort.
Dat klopt ook wel, denk ik. Het nieuwe links wil via de politiek en de economie de wereld veranderen, en hoe kun je urenlang gaan zitten praten met doodgewone mensen, die bezig zijn met hun kleine of mogelijk ook grote egoprobleempjes, wanneer je de overtuiging bent toegedaan dat de problemen waar de politiek mee kampt onnoemelijk groter en belangrijker zijn, dan de ego-problemen van gewone onbeduidende mensen?
Mensenverachters waren ze, met al hun goede bedoelingen. De problemen van een enkeling waren gewoon te min, een mens hoort ook helemaal geen psychische problemen te hebben - daar kijkt een plat-materialistische wereldhervormer vol minachting op neer.
Om die stelling van mij te bewijzen heeft de redactie van de Volkskrant in de jaren tachtig een hoogleraar [t.w. Piet Vroon] als medewerker in dienst genomen die als 'linkse psycholoog' het lezende publiek duidelijk moet maken dat psychologie - als alfawetenschap, als wetenschap dus die een niet-mechanische benadering van de menselijke problematiek voorstaat - in feite onzin is.
Het is mogelijkerwijze niet zijn echte mening - maar het is de mening die thuishoort in een nieuw linkse wereld, waarin alleen de machthebber die alles wat 'psychisch' is belachelijk wil maken op de troon mag worden gezet.
"Heb je psychische problemen?", vraagt de machthebber. "Dan ben je een luie uitvreter!" "Wij machthebbers hebben nooit psychische problemen." "Snel dus naar het heropvoedingskamp..."
Dat is linkse macht - hetgeen dus in feite niks anders is dan een ander woord voor rechtse macht..

Piet Vroon - zo luidt de naam van deze hoogleraar (hij is inmiddels overlede', WD, 2018) - is geen psycholoog zoals we ons hem plegen voor te stellen - zo eentje uit een gezellige Amerikaanse familiefilm, die met een oplettend en waakzaam gezicht naast een grote divan zit, zo'n zwaar eikenhouten bakbeest, dat meestal is voorzien van een wat somber ogende donkerbruine lederen bekleding, die met dikke koperen kopspijkers aan de houten bekisting is vastgeklonken - nee, want zo een gezellige psycholoog moet luisteren naar anderen, en op luisteren naar slachtoffers van onderdrukkende machtspolitiek rust in het rijk der machthebbers een immens taboe.
Een psycholoog wordt alleen maar uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan een landelijk dagblad, wanneer hij onder ede verklaart dat hij naar niemand luisteren wil.
Het lijkt misschien wonderlijk, dat binnen een journalistieke wereld alleen diegenen die niet luisteren kunnen de hoogste punten scoren op de waarderingsladder, maar wie jarenlang als een echte geduldige onderzoeker de Hollandse dagbladen gelezen heeft - zoals ik dat gedaan heb - die weet dat in het ideologische rijk der slechthorenden degene die stokdoof is altijd Koning is...!

In de Volkskrant verdedigt Piet Vroon (een autistisch wonderkind dat in zijn eentje de hele wetenschap der psychologie mag vertegenwoordigen..), op het ogenblik het invoeren van een driedaagse werkweek, zodat hij zich in de vrijkomende tijd kan wijden aan het bestuderen van wat hij noemt het goede boek.
Zo op het eerste gezicht zou je dat streven redelijk kunnen vinden, dat pleiten dus voor een driedaagse werkweek, wanneer er menslievende motieven aan die opvatting ten grondslag zouden liggen, zoals eerlijke verdeling van arbeid, of de verdediging van het recht van elk mens op een zinvol bestaan..., maar als je verder na gaat denken dan zie je al snel in dat deze linkse hoogleraar helemaal geen belangstelling heeft voor de rechten van anderen.
Het gaat hem niet om recht, maar om plicht...
Daarom is hij waarschijnlijk ook op zoek naar het goede boek - een benaming die ik nooit erg goed heb begrepen - omdat ik dan onmiddellijk denk aan dat andere boek: 'het slechte boek' - dat waarschijnlijk geschreven wordt door criminelen, kinderrovers en andere rechtse fascisten - mensen waar je belangstelling nou juist naar uit zou moeten gaan - als psycholoog.., want wat schiet de samenleving ermee op dat psychologen niks begrijpen van 'de slechte mens'?

De psycholoog Piet Vroon, die we kunnen zien als de exponent van het grotere geheel der linkse psychologen, verdedigt graag de 'goede zaak'.
In de jaren tachtig en negentig is die goede zaak niet de zaak die in de jaren zestig en zeventig werd verdedigd. In die jaren liep er in cultureel Nederland hier en daar een psychiater rond die kritisch was. Er was zelfs een dichtende psychiater, Rutger van den Hoofdakker, die een boekje schreef waarin hij het establishment binnen de wereld der psychiatrie durfde aan te vallen. "Het bolwerk van de beterweters' luidde de titel van dat boekwerkje, dat inmiddels allang verdwenen is in de grote vergeetpot van de door linkse historici geschreven geschiedenis, want als er iemand momenteel alles beter weet dan anderen, dan is het wel de linkse Volkskrant-psycholoog Piet Vroon.

Piet Vroon is een harde werker. Dat is niet vreemd, want ontvrouwelijkt-materialistisch links heeft de arbeid tot hoogste levenstaak van de mens verheven. Dat gebeurt zo nu en dan. Meestal zijn het rechtse regimes die de arbeid heilig verklaren, maar het onderscheid tussen links en rechts is in dit land in de jaren tachtig volledig opgeheven, zodat het eigenlijk zinloos is om in dit land nog te spreken over goed en slecht.
De Nazi's waren slecht, zeggen ze. Maar ze verheerlijkten de zegeningen van de arbeid en voor luiheid en decadentie was er in hun gezonde-mannen-wereld geen plaats.
Gezonde hardwerkende blonde jongens, lang en fors en sterk, en gezonde blonde vrouwen, lang en fors en sterk, en allemaal even arbeidzaam, staren je aan vanaf de propagandafoldertjes die door de NSDAP werden verspreid, en middels de bijgevoegde teksten werd iedereen op het hart gedrukt toch vooral hard en flink te werken. Dan worden mensen in psychisch opzicht mensen van staal en dan zijn we van alle door decadente halvezachten in het leven geroepen maatschappelijke problemen verlost.
Het is alsof in Nederland die Nazi-droom wordt waargemaakt - het kan toch geen toeval zijn dat de jongens en meiden hier steeds meer op de nationaal-socialistische 'Uebermensch' gaan lijken..?
Nergens ter wereld zijn de jongeren zo reusachtig groot, sterk.. en lomp...

De krankzinnige benadrukking van het belang van de arbeid maakte in Duitsland de acceptatie van het concentratiekamp mogelijk. Want wat is een concentratiekamp? Niets anders dan een werkkamp, omgeven door grote bossen prikkeldraad, met ergens in het midden een zwaar bewaakte toegangspoort, waarboven men een groot bord bevestigd heeft, met daarop de nette, fatsoenlijke burgermanstekst: Arbeid Maakt Vrij...
Voor de gemiddelde Duitser was in de jaren dertig een concentratiekamp weinig meer dan een werkkamp waar luie, onmannelijke uitvreters tewerk werden gesteld.
Wat dat betreft mogen we de Nationaal-Socialisten dankbaar zijn. Ze toonden aan dat het begrip 'uitvreter' een relatief begrip is, met andere woorden, het is geen begrip dat naar een werkelijkheid verwijst die met behulp van objectieve criteria omschreven en gedefinieerd kan worden.
Stellen we ons nu bij uitvreters donkere mannen met zwarte brillen en zware wenkbrauwen voor, meestal werkschuwe pooierstypen, die volgens de goedemensenfilosofie allemaal in de vrouwen- en kinderhandel zitten.., in de jaren dertig zag het uitvretersbeeld er heel anders uit. Toen werden vooral linkse intellectuelen als gevaarlijke nutteloze mensen aangemerkt. En hoe intellectuelen er uit zien wisten ze in Duitsland heel goed. 'Mannen met brillen', werden ze genoemd, een typering die er toe leidde dat veel brildragende intellectuelen in de kampen hun brillen aan gruzelementen sloegen, om te voorkomen dat ze door de bewakers extra gepakt zouden worden.
Naast de als nutteloze uitvreters beschouwde kritische intellectuelen werden ook andere mensensoorten als lui en onmannelijk beschouwd, met name joden, zigeuners en homosexuelen, allemaal mensen die volgens het Nationaal-Socialistische vooroordeel te beroerd waren om eerlijke mannelijke arbeid te verrichten in dienst van de Duitse Natie.
De gemiddelde Duitse burgerman zag er dan ook weinig kwaad in, in een werkkamp, want de essentie van de kleinburgerlijke filosofie is altijd geweest dat alleen degene die de handen flink uit de mouwen wil steken een nette fatsoenlijke burger is.
Wat dat betreft verschilt de mentaliteit van de vooroorlogse Duitser niet van de mentaliteit van de gemiddelde moderne Nederlander, die in feite geen andere spirituele norm meer kent dan 'wie werkt is goed, en wie niet werkt is slecht'.
Die door en door materialistische filosofie is alles wat de door het marxisme gevormde jaren zestig generatie de wereld te bieden heeft. Het is de materialistische filosofie van de geslaagde jongen, die ondanks het feit dat hij geslaagd is vol wrok neerkijkt op al diegenen die niet meedoen aan het arbeidsproces.

Kunst en cultuur, dat zijn zaken waar de geslaagde jongen in feite geen belangstelling voor heeft, ook al schrijft hij, ook al schept hij zelf 'cultuur'.
De geslaagde jongen steekt op ferme, stoere wijze de handen uit de mouwen, zelfs wanneer de hele wereld aan zijn maniakale werklust ten onder gaat en we allemaal in een bedje vol gif naar de diepste diepten van de burgermanshel suizen, die, dat spreekt vanzelf, gebouwd is door geslaagde jongens, omdat de gemiddelde pechvogel te zwak en te lui is om de zware betonnen heipalen de geblakerde bodem van de hel in te slaan...
Een sterke geslaagde jongen kent geen vrouwelijke gevoelens en medelijdende sentimenten, want het toelaten van dergelijke gevoelens zou er toe leiden dat hij de ander moet gaan zien als slachtoffer en dat is nu precies wat hij wil voorkomen. Daarom haat hij de ander en gaat hij nog harder werken, alleen maar om te voorkomen dat hij in contact komt met een ander, die nooit - ook wanneer hij dat zou willen - het krankzinnige tempo van een workaholic evenaren kan.
De geslaagde jongen werkt, en hij verricht dat werk, ook wanneer hij 'kunstenaar' is, op een kille, ambtelijke wijze, omdat hij maar een wet kent, de wet van zijn mannelijke plicht, die een ontkenning is van de anti-calvinistische luiheid.

Een fraai voorbeeld van deze machocultuur binnen de wereld van de kunst is de schrijver Jan Cremer.

Ik wil macht hebben

"Ik wil macht hebben. Macht is alleen maar geld"
"Ik werk om te leven en ik leef om te werken"
"Snel als de windhond, taai als leer, zo hard als staal!"
"Ik ben beroemd, ik heb twaalf miljoen boeken verkocht, als ieder boek door tien mensen gelezen of gezien is, dan zijn er honderdentwintig miljoen mensen die me kennen."
"Willem Frederik Hermans is de enige schrijver die ik bewonder, hoewel hij soms dingen neerzet waar ik echt geen fluit van begrijp."
"Mijn vader had het motto: Liever honderd gulden schuld dan vijf minuten verdriet. Dat vind ik een erg goede."

"Over vrouwen kan ik weinig vertellen...
Zoals ik een kenner van bier ben, ben ik ook een kenner van vrouwen en verder niets."
"Dit is voor mij het beeld van de Hollandse vrouw op zich:
Blond, een Germaanse, harde industriekop, goed van vlees, mollige bovenarmen, grote prammen, brede schonken, lekkere billen, stevige poten met gespierde kuiten en dikke enkels..."

In het boek 'Cirkels' van Jan Kamperbeek staat vermeld dat Jan Cremer geboren is in Enschede, op 20 april 1940, 's middags om half zes.
Wie voor dat moment een geboortehoroscoop opstelt ziet het portret ontstaan van een vrouwelijke vent met sterke Maan - en Venus-invloeden, een erg vreemde zaak, omdat in vrijwel elk interview waarin Jan Cremer de astrologie ter sprake brengt, hij zichzelf op trotse wijze afficheert als een 'echte Ram', met de ascendant in het teken 'Leeuw'.

Wanneer hij om half zes geboren is vertelt hij ons niet de waarheid. In dat geval is hij een Stier, terwijl de ascendant zich in het zoetelijke teken Weegschaal bevindt.
Hoe het ook zij, een feit is dat Jan Cremer het woordje 'Stier' maar niks vindt. Dat hoort niet bij de mannelijke tekens, en hij, de grote geniale kunstenaar, wil voor alles 'man' zijn...: "Ik ben", zo stelt hij, "een echte Ram!"
Geniaal kan ik zo iemand niet noemen. Alles wat Jan Cremer met zijn werk aantoont is dat het mooie, dure begrip 'kunstenaar' je niet beschermt tegen filisterij - kleinburgerlijke vooroordelen dus, die nu juist door een kunstenaar bestreden zouden moeten worden.

Het is erg leuk om de kleinburgerij aan te vallen, maar wanneer je daarbij alleen maar kleinburgerlijke gevechtsmethoden gebruikt, dan zul je het feit moeten accepteren dat je uiteindelijk zelf ook weinig meer bent dan die verderfelijke kleinburger, waar je zo hard tegen tekeer ging. Dan bouw je een volstrekt clichématige wereld op, waaruit alles verdwijnt wat je zwak, kwetsbaar en weerloos maakt - en dan heb je niet de maatschappij aangevallen, wat toch eigenlijk de bedoeling was, nee dan heb je een burgermanswereld opgebouwd - waarin alleen de harde, hardwerkende naar macht en geld verlangende mens kan overleven.

Net als alle volksjongens die zich omhoog willen werken naar de top wil Jan Cremer graag een Ram zijn. Dat is begrijpelijk, want het teken Ram behoort tot de meest mannelijke tekens van de dierenriem. In de zodiak staat hij pal tegenover het teken Weegschaal, dat het tegenovergestelde - dus een vrouwelijk teken is.
Hij debuteerde in de jaren zestig met het boek 'Ik, Jan Cremer', dat tamelijk veel opzien baarde, omdat de schrijver zich in dat boek openbaarde als een gewone volksjongen, die recht voor zijn raap zijn opvattingen over seksualiteit de wereld in slingerde.
Jan was een vrouwenversierder. Net als Harry Mulisch maakte hij er een sport van zoveel mogelijk vrouwen zijn bed in te werken.
Neuken dus... En nog eens neuken - en dan het liefst met vrouwen die beroemd zijn, zodat je al neukend van je opgeblazen ego een kunstwerk maken kunt.
Tamelijk zinloze opschepperij dus. Omdat het een primitieve poging is je ware zelf te overschreeuwen en te vervangen door een clichématige 'stoere-jongens-identiteit'.
Ik geloof niet dat zoiets de bedoeling is van wat artistieke dwepers 'het kunstenaarschap' noemen...

Veel invloed heeft Jan Cremer - ondanks het feit dat hij een 'echte Ram' is - op de wereld van de macht niet gehad.
Het christelijk-socialistische kabinet Lubbers-Kok is een mannelijk kabinet, maar wanneer je mocht denken dat de penetrante lucht van sperma en zweet je tegemoet walmt, na afloop van een vergadering van het hoogste machtscollege in ons land, dan heb je het toch echt mis.
Wat wil je. De club vergadert in het 'Jacob Cats-huis', en dat is heel wat anders dan 'Ik, Jan Cremer', dat zedelijk hoogstaande literaire werk van Jacob Cats.
Niet neuken en linkse meiden in de dikke romige linkse billen knijpen?
Niet dus!
Zoiets is ten strengste verboden in het Catshuis! Gewoon je slip aanhouden dus!, als je minister bent... En ook niet stiekem een hand in je broekzak stoppen, gevaarlijk dicht in de buurt van het geslachtsorgaan...
Jacob Cats ziet alles...
Ja heus, want er hangt een groot olieverfschilderij van Hollands grootste zedenmeester aan de muur van de vergaderzaal - boven de grote schouw, waarop een middeleeuwse, roodkoperen spuugpot - vroeger plachten de hoogwaardigheidsbekleders van ons land op pruimtabak te kauwen - staat opgesteld naast een torenhoge Hollandse Zaantjesklok - dat heb ik allemaal zelf gezien - in een visioen of zo - en achter het linkeroog van dat portret heeft de Binnenlandse Veiligheidsdienst een kleine camera opgesteld.
En wanneer ze zien dat je stiekem onder de grote vergadertafel over je geslachtsdeel zit te wrijven, dan mag je nooit meer minister zijn van dit zedelijk hoogstaande land... Je mag zelfs blij zijn dat je niet voor het oog der gehele natie wordt gecastreerd.., zo netjes en fatsoenlijk zijn ze hier...

Nee, we zijn hier allemaal in zedelijk opzicht verheven mensen. En dat betekent dat onze regering - en dat is momenteel het christelijk-socialistische kabinet Kok-Lubbers - niet neukt, niet masturbeert en niet naar de dikke billen van de vrouwelijke ministers kijkt. Hoogstens wordt je door een minister verneukt - maar daar valt weinig erotische lol aan te beleven.
Kok en Lubbers vertegenwoordigen het door marxistisch links in gang gebrachte proces van verzakelijking, verkilling en vermannelijking van de politiek. Het is bij uitstek het kabinet van de tot succesformule uitgegroeide mannelijke plicht. Het lost geen problemen op, nee, het schept problemen, zodat de sterken nog succesrijker worden. En de zwakken grotere pechvogels... Dat spreekt vanzelf.


"Er is helaas niet veel veranderd...
Je hebt nu de nieuwe preutsheid, de nieuwe truttigheid, die plotseling de kop opsteekt.
Je staat er verbaasd van, dat zogenaamde moderne mensen zich bezighouden met principes uit het jaar nul."
Jan Cremer in 'Jan Cremer in beeld', samengesteld door Guus Luijters, 1985.


Seth Gaaikema leverde tijdens een conference die diende ter afsluiting van het oude jaar kritiek op dat toenemende streven naar verzakelijking en economisering van ons bestaan.
Hij is niet het prototype van de sterke man. Eerder het tegendeel. Maakt een vrouwelijke indruk. Is homosexueel. En heeft daarenboven een onmannelijk stemgeluid, zodat hij in linkse kringen - waar ze net als Jan Cremer allemaal wilde, luid schreeuwende volksjongens willen zijn - niet bijzonder geliefd is. Seth Gaaikema wil graag het gevoel zien terugkomen in de politiek. Erg lullig natuurlijk wanneer je dat moet doen als iemand die door de eigen collega's niet eens serieus genomen wordt… Die zijn niet zwak en die hebben geen vrouwelijk stemgeluid. Nee, die schreeuwen er met hun harde viswijvenstemmen een eind op los en die weten van gekkigheid niet wat ze met hun mannelijke teveel moeten doen…
Neuken is uit. Dus berg je maar - als vrouwelijke, gevoelige vent...

Ook de Utrechtse hoogleraar Piet Vroon uit kritiek op de Hollandse politiek. Hij verwijt politici dat ze niet zeggen wat ze denken:
De politici durven niet te zeggen wat zij denken, namelijk: wijzen op de noodzaak van meer werkdwang, minder uitkeringen en minder allochtonen in huis...
Dat is een merkwaardige uitspraak. Het kenmerk van de huidige generatie politici is nu juist dat ze dat wel doen.
Vooral de ex-marxisten van Nieuw-Links, (denk aan Arie van der Zwan) gaan op het ogenblik fel tekeer tegen alles wat in hun ogen lui en onverantwoordelijk is en ze pleiten daarom ook voor een extreem harde aanpak van het werkeloosheidsprobleem - een probleem dat in feite alleen maar een probleem is omdat het door ons tot probleem wordt gemaakt.
Piet Vroon wil als psycholoog het probleem oplossen door het invoeren van een driedaagse werkweek. Daarmee maakt hij de groep die moet werken nog groter dan ze al is - dus meer dwang - meer harde aanpak - meer stress - meer problemen op de werkvloer - terwijl hij zelf een luizenleventje kan leiden, omdat hij als hoogleraar honderden guldens per dag verdient, hetgeen in simpele woorden uitgedrukt betekent dat hij slapend rijk kan worden.
Het is een erg kromme redenering. Je vergroot de kans op psychische problemen door mensen aan een streng dwangregime te onderwerpen, maar als die mensen dan hulp zoeken bij een psycholoog, dan zeg je: "Sorry, beste mensen, ik werk tegenwoordig maar drie dagen, ik ben nu bezig met de bestudering van 'het goede boek'..."

Erg cynisch allemaal - op het sadistische af...

Sadistisch zijn is mode op het moment. Er waait in de jaren 80 een wind van kilheid door het land. De kille politici waaruit dat kabinet bestaat hoeven niet te zeggen wat ze denken, omdat zij hun gedachten reeds volledig hebben uitgesproken.
Men heeft de sentimentloze technocraat alle macht in handen gegeven. Die technocraat is God. En de linkse psychologen fungeren als Zijn profeet.
Piet Vroon vertegenwoordigt als 'linkse denker' de jaren-80-psychologie van het onverstand, de psychologie van de domheid, de psychologie die het medelijden ontkent. De psychologie kortom van de laffe dood, waar de dichter Hans Andreus over spreekt in zijn gedicht de wormen.

Hans Andreus was een man met gevoel, een van de weinige Hollandse dichters die weten wat ontroering is, een man, die de Liefde serieus durfde te nemen: de moedigste daad die je kunt stellen in een anti-anarchistisch land, dat de economie boven de geest heeft geplaatst.

Wie of wat je bent, kan me niet schelen, stelt hij, maar god, verbrand de wormen van de laffe dood...
In wat leeft leven de wormen en vreten van de liefde en vreten van het goede leven...

Wanneer ik het niet meer vind in de wereld, lees ik in het gedicht 'Wanneer' , laat mij dan donker worden, als de zee 's nachts, laat mij dan uitgaan als een vuur in de regen. Want dan zal ik zozeer hebben gefaald, dat ik mijzelf geen mens meer mag noemen. Laat mij dan alleen maar een dode zijn in het slechte gezelschap van zijn laatste gedachten...

En je voelt hoe de koude van een liefdeloos tijdsgewricht, in stand gehouden door een aan de macht verslaafde generatie die de Liefde in de uitverkoop heeft gedaan, je steeds zwakker en machtelozer maakt, en je luistert zwijgend toe...

De kleine duiven werden
bittere roofvogels uit de bergen...

De grote liefde valt in kleine
bladeren op de stroom.

Wat kun je doen in zo'n geval? Wat kan het simpele verlangen naar Liefde uitrichten in een wereld waarin zelfs de duiven havikken zijn geworden?
Alleen maar wachten op betere tijden... Meer kun je niet doen. Wachten op het moment, waarop de Macht zijn verstikkende, verschroeiende laatste adem uit zal blazen...
En die gedachte schrijf je op. En je deelt haar mee aan anderen. Omdat je iedereen wil laten weten wat jou - als naar Liefde verlangende enkeling - overkomt.

Het is niet veel. En toch ook alles...
Het is de Grote Liefde, die in kleine bladeren neervalt op de stroom.

(c) wim duzijn - zwolle- nederland