Bij Poëzie, lieve lezer, denken we meestal aan dichters die bij het gedempte licht van kleine schemerlampjes stilletjes wat aan het mijmeren zijn..., van die dromerige, wereldvreemde typen die hele vergezichten in hun hoofd hebben gepropt, waarnaar ze vol aandacht kijken, terwijl ze aan het schrijven zijn.
Dat beeld, kan ik u in alle eerlijkheid verklappen, is onjuist, en dat komt omdat ons land een land is dat bevolkt wordt door grote groepen uitgelezen deskundigen en geleerden, die allemaal zo hun ditjes en datjes op papier willen zetten - omdat anders hun opdrachtgever, de staat of - beter gesteld - de 'over ons gestelde overheid', zegt dat zij maar beter met pensioen kunnen gaan. En daar hebben zij natuurlijk in het geheel geen zin in...
En omdat al deze eeuwig drukke geleerden elkaar bestoken met ellenlange geleerde betogen, daarom kun je als eenvoudige dichter en dromer niet zomaar meer wat zitten mijmeren bij het licht van een klein lampje, en zo is het dan ook gekomen dat ik dit kleine, eenvoudige opstel over de Poëzie moet beginnen met het weergeven van een uiterst opmerkelijke literatuurtheorie, bedacht, ontworpen en samengesteld door de bekende en in geleerdenland alom geliefde neerlandicus en literair-criticus, Professor Peter Carelsen, die als Bijzonder Hoogleraar verbonden is aan het Instituut voor Vergelijkend Literatuuronderzoek van de gemeente Luttelgeest.
Ik zou - daar kom ik eerlijk voor uit - veel liever een simpel gedichtje schrijven over ontluikende rozen in zacht Lentelicht - maar allee - het wrede noodlot legt de mens soms harde plichten en lasten op en ik zal mijn lot derhalve gelaten dragen...
Professor Carelsen - dan - heeft middels het uitvoeren van een minutieus en zeer deskundig onderzoek een poging gedaan - een wetenschappelijke poging wel te verstaan - licht te brengen in een bijzonder netelige zaak, die reeds eeuwenlang de grootste geesten onder het uitgelezen geleerdenkeur van ons land bezighoudt.
Wat, zult u zich afvragen, is dan de zaak, die de geleerden in ons land met zoveel problemen confronteert?
Ter bepaling daarvan heeft professor Carelsen een opmerkelijke en zeer stoutmoedige stap gezet.
Via een lange reeks van explorerende studies heeft hij het gebied van onderzoek weten te begrenzen, een werkelijk zeer unieke daad in ons kleine landje waarin het tentoonspreiden van een grenzeloze domheid zo vaak als het hoogste goed wordt geproclameerd, en daarbij is hij tot de opzienbarende conclusie gekomen dat er in de wereld van de Nederlandse Poëzie een 'zwarte vlek' valt aan te wijzen, (ook wel zwart gat genoemd) en die zwarte vlek, lieve lezer, is volgens de heer Carelsen niets anders dan de Grote Zaak...!
Nu zult u zich ongetwijfeld afvragen wat dat is, een 'zwarte vlek'.
Welnu, daar moet ik u op antwoorden dat de deskundigen in ons kleine literair-hoogbegaafde landje het daar nog niet eenstemmig over eens zijn.
Wel kunnen wij volgens de hoogleraar Carelsen het volgende stellen:
Een 'zwarte vlek' mag beschouwd worden als een sterk geconcentreerde energiehoeveelheid, waarbij in het oog moet worden gehouden dat alle energie die men injecteert, opgeslagen wordt in een vorm (een literaire vorm in ons geval), die niet zichtbaar is, maar die wel degelijk bestaat!
Onder sommige mensen leeft het misverstand dat een 'zwarte vlek' niet bestaat omdat hij onzichtbaar is. Zij gaan uit van de veronderstelling dat daar, waar energie zich samenbundelt tot een punt, een minieme stip aan de wijde (in Holland immer bewolkte) Literatuurhemel, kijken niet langer nodig is.
Dat is, zo verzucht professor Carelsen op zijn bekende gemelijke geleerdenwijze, helaas een wijdverbreid misverstand, dat kan leiden tot een immense verschraling van de Vaderlandse Literatuurmarkt. Wanneer het namelijk zo is dat alle poëziebundels die op het ogenblik verschijnen onopgemerkt verdwijnen in de kleine 'zwarte vlek' die onze dichtkunst is, dan vloeit daar de plicht uit voort om gewapend met kijkers, vergrootglazen, geigertellers en andere ingewikkelde meetapparatuur, die ons welwillend ter beschikking worden gesteld door het Ministerie van Onderwijs en Cultuur, het moeilijk zichtbare maar wel aanwezige energiepotentieel te meten.
Een eenvoudige ampèremeter, deelt professor Carelsen ons vol wetenschappelijke geestdrift mee, zou diegenen, die niet geloven in de aanwezigheid van poëtisch talent in ons land er van kunnen overtuigen dat er hier wel degelijk scheppend, creatief talent werkzaam is en dat zeer veel mensen op een energieke wijze bezig zijn met het creëren van een modern poëtisch energiekwantum, dat binnen de 'zwarte vlek' van de Nederlandse Poëzie een gewichtige plaats inneemt, zodat wellicht in de toekomst, via een ingewikkeld en moeilijk voorspelbaar proces van op elkaar inwerkende centripetale krachten, sprake kan zijn van een oplossing van de 'zwarte vlek': een opheffing tot een 'oneindigheid', die ondenkbaar klein is, maar tegelijkertijd zo groot en kolossaal en uitgebreid, dat daarmee het einde wordt bereikt van een Literair evolutiestadium.
Maar..., zo stelt professor Carelsen, voor het zover is (en het is nog niet zover, dames en heren!), moeten wij met de meetklok in de hand aan de slag.
Natuurlijk, zo stelt hij, we weten dat niet iedereen in staat is zich voldoende tijd te gunnen om op objectiefwetenschappelijke wijze het aanwezige poëtische energiepotentiaal te meten en te bestuderen, maar laten wij tenminste een poging wagen - de Hollandse Dichter vraagt dat van ons, immers: hij schrijft om geanalyseerd te worden!
U ziet, lieve lezer, dat hier iemand spreekt wiens zienswijzen getuigen van een grote eruditie, hetgeen toch wel iets zegt over het hoge niveau van wetenschapsbeoefening in ons kleine land.
Maar toch, ik moet het u eerlijk bekennen, heb ik zo mijn twijfels en die twijfel heeft ertoe geleid dat ik mijn vertrouwen in meetlinten, toongeneratoren, geigertellers en andere griezelige meetapparatuur ben kwijtgeraakt.
Laat professor Carelsen kiezen voor de meetklok en de rekenlineaal, denk ik bij mezelf, maar laat mij in dit niet al te pretentieuze opstel pleiten voor een benadering die eenvoudiger is, namelijk het simpelweg lezen van een gedichtenbundel, onder het genot van een goed glas wijn, met vriendelijke muziek op de achtergrond en een geurige sigaar of sigaret in de geparfumeerde hand.
Poëzie, dat is zo mijn simpele, alledaagse opvatting, moet genietbaar zijn, wanneer we haar willen lezen op de zojuist geschetste wijze, een manier die natuurlijk niets te maken heeft met de door harde, zakelijke arbeidsinstincten voortgedreven wetenschappelijke (d.w.z. genotloze) mens.
Dat zal sommige mensen wellicht in de oren klinken als een naïeve, mogelijks zelfs onnozele platitude, het intrappen van een open deur wellicht, maar toch is het dat niet, omdat een dergelijke zijnskwaliteit werkelijk alles van de dichter eist, want zegt u nu eens zelf: welke Nederlandse dichter kan er op het ogenblik nog leesbaar schrijven?
Poëzie die leesbaar is, die gelijkt op de spiegelende helderheid van de wijn in een kristallen glas - die poëzie is volgens mij de moeite van het lezen waard, die heeft smaak, een heerlijk aroma, dat om een voortdurende herhaling van de genotervaring vraagt...
Heeft u wel eens diep in uw glas gekeken? En verwonderde u zich niet dan over de wonderbaarlijke helderheid van het geestrijke vocht dat zich als het ware langs de wanden van het glas omhoog probeerde te werken, om zodoende de vochtige opening van uw naar genot smachtende lippen te bereiken?
Wat moet een serieuze lezer, die zich terdege realiseert dat een mens de huiveringwekkende genotswerking van geestrijke levenservaringen nodig heeft, beginnen met een warrige, onleesbare woordenbrij?
Een mens drinkt toch ook niet het dik van de koffie op?
Welnee, alles wordt op het ogenblik in het werk gesteld om de consument een zuivere, koffiedikvrije kop koffie te verschaffen via filterkan, filtreerpapier en fijngemalen snelfilterkoffie.
Helderheid, heel eenvoudig en simpel en natuurlijk zeer begrijpbaar, dat is het wat de lezer nodig heeft.
Een goed glas wijn, daar hebt u als genietende fijnproever toch ook geen moeite mee? Welnee, u vindt een glas wijn, waaruit een heerlijke geur opstijgt, iets heel gewoons en u zult er niet over peinzen om er tobbend en piekerend voor te gaan zitten, uzelf kwellend met de vraag wat er, vanuit natuur- of scheikundig oogpunt gezien, nu precies in het glas zit.
De wijnmaker heeft 'wijn' gemaakt, geen chemisch brouwsel dat via allerlei ingewikkelde filtreermethoden, of met behulp van allerlei soorten lakmoespapier, moet worden ontleed en geanalyseerd.
Iemand, die een strook lakmoespapier in zijn wijnglas dompelt, die is gewoon niet goed bij zijn hoofd, zo iemand wordt door de echte wijnkenner de straat opgeschopt (waar hij ook thuishoort natuurlijk) en zo iemand komt nooit meer de deur van de echte, aan wijn verslaafde levensgenieter in.
Alles wat de echte wijnkenner doet is het glas heffen en het zonder aarzelen naar zijn mond brengen, na zich eerst even via een licht opsnuifproces vergewist te hebben van de heerlijke kwaliteit van het opwekkende vocht.
Hij ruikt, hij proeft, hij drinkt en aan 'weten' heeft hij op dat moment volstrekt geen behoefte. De kwaliteit 'drinken' vervolmaakt de volheid van de kwaliteit 'wijn'.
Wanneer deze man op zijn geheel eigen simpele, maar toch zelfbewuste wijze van zijn wijn geniet, niet op een wetenschappelijke wijze, maar op een mystieke wijze, waarbij de mens een wordt met de inhoud van het glas, dan welt er een intens gevoel van tevredenheid in hem op. Je zou dat gevoel 'het spiritele orgasme' van de wijngenieter kunnen noemen.
Hij geniet. Hij is stil. Hij hoeft zich niet af te vragen welke emoties er passen bij het drinken van een glas excellente wijn. Nee, alles is pure emotie om hem heen - hij zweeft als het ware met zijn hoofd in de wolken…
En mocht er toevallig wat gemeen ogende zwarte drab en droesem in de kostbare wijn voorkomen, dan zal hij uiterst verbolgen naar de slijter toestappen, die hem deze verontreinigde vuiligheid verkocht heeft, en hij zal de geschokte man op venijnige wijze toevoegen:
"Jij hebt mij bedonderd, beste man, geef me ogenblikkelijk mijn geld terug, of ik sla je complete wijnhandel aan puin..", want de boel vervalsen is natuurlijk het ergste wat er is voor een mens die van kwaliteit houdt.
En de slijter zal (dat spreekt vanzelf) op een nederige wijze zijn oprechte verontschuldigingen aanbieden en hij zal de woedende wijnkenner geheel gratis een nieuwe fles overhandigen (waaraan natuurlijk niets mankeert), en mogelijk doet hij er zelfs nog een extra fles bij, als troost voor het verschrikkelijke leed dat hij de naar genot verlangende ander heeft aangedaan.
Ziet u, lieve genotzoekende lezer, op een soortgelijke wijze zou het ook toe moeten gaan in de wereld van de Nederlandse poëzie. De dichter 'schrijft' en de lezer 'leest', en omdat er geen muur bestaat tussen schrijver en lezer, daarom zijn zij beiden even belangrijk.
Onleesbare gedichten moeten gewoon teruggestuurd worden naar de dichter, let wel: onleesbare gedichten, want er zijn natuurlijk ook gedichten die uiterst leesbaar zijn, maar die de lezer desondanks geen genot verschaffen, omdat ze domweg niet passen bij de uit zijn of haar karakter voortvloeiende smaak, en dergelijke gedichten kunt u natuurlijk niet terugsturen - dat spreekt vanzelf.
Als u wijn koopt die u niet zo erg lekker vindt, dan kunt u toch ook niet uw beklag doen bij de slijter? Die ziet u al aankomen met uw halfleeggedronken flesje...
Ja, ik wilde Port, maar ik vond achteraf gezien toch Whisky lekkerder…, een stomme smoes natuurlijk, omdat whisky helemaal geen wijn is, maar een ordinair alcoholisch wanproduct waarmee ze goedkope Amerikaanse B-films volproppen, onder het motto: "Als je niks wezenlijks te zeggen hebt, dan zuip je jezelf maar dood".
Nee, we hebben het over het verlangen naar kwaliteit van de fijnproever en daarom rekenen we volledig af met wanproducten, onleesbare, chaotische woordconstructies, die jachtend zijn en onbeheerst en die veel diepte voorwenden, waar er enkel sprake is van leegte en een ware doodstemming veroorzakende pretentieuze holheid!
Dichter, zeggen we in dat geval, eet jij die drabbige rottroep zelf maar op, want hoe moet ik in godsnaam aan 'begrijpen' toekomen,wanneer de gedichten die jij schrijft in het geheel niet leesbaar zijn? Op die manier blijf ik altijd dom en het is niet de taak van een dichter de lezer dom te houden!
Ja, lieve lezers en lezeressen, zo moeten wij genotzoekers optreden, met opgeheven hoofd - dapper en vastberaden, en gelooft u mij, wanneer u zich overgeeft aan een dergelijke houding van kritische rebellie, dan is dat een daad die zeer 'oirbaar' is - jazeker, 'oirbaar', in de goede zin van het woord!
Drinkt u daarom maar rustig uw glas leeg en geniet in alle eenvoud en kalmte van uw goede sigaar en denk vooral niet meer aan al die bleke, magere geleerden, die gewapend met ellenlange meetlinten en beduimelde notitieboekjes door de grauwe troosteloze steegjes van de grote cultuurloze steden dwalen.
U weet het toch?
Hollandse geleerden? Die hebben allemaal een tik van de een of andere Hollandse molen gehad. Die zijn allemaal een beetje verstrooid, wereldvreemd en mal...
En als ze het nog niet zijn, dan worden ze het wel door al dat gemene, giftige lakmoespapier waar zij de hele dag in hun literatuurlaboratoria mee omgaan. Neemt u dat maar van mij aan.
PROOST!
Wim Duzijn, Bedum, juni 1975