Het Grote Niets van Harry Mulisch
Commentaar Wim Duzijn 2001
Citaat: 'Mulisch heeft zich met respectabele intelligentie vast gewroet in de mollengangen van de Duitse filosofie en daaruit de merkwaardige constructie aan het licht gebracht die Hitler kenschetst als de niet-toevallige, niet uit de modder opgeklommen intrigant die zich door sinistere praktijken opwerkte tot dictator en ten slotte tot massamoordenaar. Het is veel erger. Adolf Hitler is het Niets, een godsgruwelijk negatiebeginsel, een filosofisch en zelfs theologisch niet meer te duiden horrendum, een 'zwart gat' dat men alleen nog kan benaderen in bewoordingen, ontleend aan het befaamde geschrift Das Heilige van Rudolf Otto: een grondeloos, numineus en schrikwekkend mysterie.' Theun de Vries, De Groene Amsterdammer
Wie als schrijver indruk wil maken op mensen pakt een dik Duits filosofieboek uit de kast (Heidegger, Hegel, Schopenhauer, Nietzsche), knipt daar een aantal, onbegrijpelijke passages uit, maakt daar een sluitend betoog van en overdondert er de onwetende lezers van zijn werk mee.
Succes verzekerd. Niemand zal ooit toe willen geven dat hij er niks van begrijpt en degene die zegt dat het doodgewone onzintaal is wordt stilletjes en sussend weggevoerd: "Stil maar, je zult het ooit nog wel eens gaan begrijpen - stoor de grote schrijver niet bij zijn heilzame, culturele arbeid..."
Harry Mulisch is een schrijver die dankzij de onwetendheid van het grote publiek een geniaal schrijver geworden is.
"Hoe dommer de ander is, hoe slimmer ik ben' - dat is zijn devies, en daarom sluit hij zich altijd aan bij politieke bewegingen die zich ten doel stellen de mens dom te maken of te houden.
Mulisch is de gek die tegen de dokter zegt: "Mag ik u beter maken?", en als de dokter hem vertwijfeld aanstaart, geschokt door de onwil van zijn patiënt de eigen problemen onder ogen te zien, springt hij gillend van het lachen uit het raam: De eeuwige zelfmoord, die geen zelfmoord is, omdat de schrijver opgebouwd is uit Niets - en iedereen weet dat Niets niet vermoord kan worden, omdat Niets nu eenmaal Niets is.
Heel opmerkelijk is dat Harry Mulisch in staat is met behulp van passages uit dikke filosofische werken het Niets zodanig uit te breiden dat het Iets wordt.
Niets wordt Iets en dat Iets is Harry Mulisch zijn boek, en dat boek levert goed geld op en daar is het de schrijver, de uitgever en de maatschappij natuurlijk om te doen.
Niemand van de lezers van Harry Mulisch is bang voor het Niets. Erg vreemd is dat, want wanneer Adolf Hitler het Grote Niets is, het zwarte gat in de politieke en filosofische ruimte, waarin alle mensen die iets zijn op een zinloze wijze verdwijnen, dan zou je als intelligent mens alles op alles moeten zetten om Niets-zeggende figuren het leven en werken onmogelijk te maken.
Cultuur, zo zouden we moeten concluderen, dient de strijd aan te binden met alles wat Niets is en tegelijkertijd dient zij mensen die iets willen te stimuleren.
Maar ja, zeggen slimme mensen dan, hoe weet je of iemand iets of niets wil? Hitler wilde wel degelijk iets. Hij wilde een eigen nationalistische partij oprichten die streefde naar een Groot-Duitse natie, waaruit alle niet-Duitse elementen verwijderd moesten worden.
Dat Groot-Duitse rijk van Hitler (dat uitgebreid moest worden met staten die volgens Hitler altijd al Duits waren geweest) kun je onmogelijk Niets noemen, of we moeten onszelf allemaal een zwarte bril op de neus plaatsen wanneer wij een film onder ogen krijgen waarin jonge, nijvere Hitler-jongens vlijtig bezig zijn met het opbouwen van het grote duizendjarige Duitse Rijk.
Hitler was niet Niets - of het beeld dat we van hem hebben moet een hologram zijn geweest, een projectie die door een geheimzinnige macht vanuit een klein ruimtevaartuigje op onze netvliezen wordt geworpen - een lastige theorie, die ons - gewone stervelingen - te moeilijk lijkt, maar die doodgewoon is voor diegenen die geloven dat het bizarre, fantastische werk van Mulisch iets voorstelt.
Hitler was een sociaal ingestelde rechtse politicus - 'nationaalsocialist' - die aan grootheidswaanzin leed. En juist omdat hij een uitgebreid 'Iets' wilde zijn, ontwierp hij plannen en staatsopvattingen die tot Niets leidden, waaruit we de conclusie mogen afleiden dat we danig op onze hoede moeten zijn voor politici die ons dezelfde onzinnige holle en lege extreemrechtse politieke denkbeelden willen opdringen.
Het Duitse Rijk van Hitler was een ideaalbeeld, een utopie, en juist omdat het een ideaalbeeld was moest alles wat het mooie droombeeld zou kunnen verstoren worden verwijderd.
Wil je een samenleving opbouwen waarin alleen maar sterke, blonde, Germaanse mannen en vrouwen mogen bestaan, dan zul je de zwakke, donkere, vertegenwoordigers van negroïde en Indo-Germaanse rassen naar de andere wereld moeten helpen - letterlijk of figuurlijk.
Hitler zag zichzelf als een God die de wereld via de scheppende daden van uitverkoren Duitse Übermenschen zou veranderen in een paradijs - een paradijs voor Germanen wel te verstaan.
Je zou Hitler het best kunnen omschrijven als Jehova, of Allah, of de God van de calvinistische christenen. Al die Goden zijn fascistische goden.
Een fascistische god is een god die alleen de leden van de eigen groep een paradijs gunt - alle anderen mogen creperen. En omdat een fascistische god de wereld in twee delen splitst, de eigen groep en de niet-eigen groep, daarom moet hij alle elementen binnen die twee werkelijkheidsgebieden reduceren tot Niets.
Politicologen hanteren termen als collectivisme, gelijkschakeling of nivellering. Mulisch gebruikt het uit een Duits filosofieboek gestolen begrip Niets en daarom moeten we - uitgaande van zijn literaire dieventaal - spreken over politieke leiders die zwarte gaten in de ruimte zijn, waarin alles wat positief-menselijk is wordt opgezogen, zodat niemand in die wereld ooit nog in staat zal zijn een positieve daad te stellen, die negatieve gevolgen heeft voor de eigen groep.
Want dat is de essentie van het Grote Niets dat Mulisch heeft ontdekt in het Nationaalsocialisme. Dat Niets is een fictie, maar juist omdat je in staat bent de mensen in de fictie te laten geloven en ze hun eigen gevoelens en hun eigen wil af te nemen, maak je de fictie tot realiteit.
Hitler begrijpen is inzien dat we geen valse goden moeten aanbidden, omdat valse goden ons onze eigen identiteit afnemen en vervangen door een groepsidentiteit, die daarom Niets genoemd moet worden, omdat ze uit is op de vernietiging (de vernietsing, beter gezegd) van ons eigen IK.
Hitler als politiek leider was niet Niets. Wanneer hij Niets zou zijn geweest, dan zou hij niet in staat zijn geweest anderen hun identiteit af te nemen.
Hetzelfde geldt voor Jehova, Allah en de God van de Calvinisten. Zij allen worden gediend door machthebbers die een immens ego hebben opgebouwd dat er zorg voor draagt dat de mensen die hen aanbidden worden ont-individualiseerd.
Mulisch heeft in de jaren zeventig als marxist actief meegewerkt aan de vernietsing van mensen. Ook de huidige lezers van zijn boeken worden tot Niets gereduceerd, omdat hij weigert ze serieus te nemen.
Een schrijver die uit een onleesbaar boek een aantal passages haalt en ze onvertaald doorgeeft aan zijn lezers, zonder ook maar de geringste moeite te doen er een eigen betekenis aan te geven mag rustig een vijand van de lezer worden genoemd.
Wie het Niets aanvalt moet de leegte opvullen met Iets. Maar dat weigert Harry Mulisch. Het woordje Niets roept een aha-effect bij hem op, dat begrijpt hij, hij is zelf immers Niets, maar het woordje Iets haat hij, want dat duistere woordje Iets kan hem confronteren met een werkelijkheid die alle Niets-scheppers (van Jehova tot Hitler) proberen te ontlopen: de werkelijkheid van het kleine, ogenschijnlijk onbeduidende IK, dat deel uitmaakt van een oneindige grote kosmos.
Het Niets is er alleen maar om de wereld te verkleinen.
Omdat we de oneindigheid van het bestaan niet onder ogen willen zien zetten we onszelf oogkleppen op (een zwarte bril) en zolang niemand ons duidelijk maakt dat we niet verplicht zijn in een eeuwige duisternis te leven zijn we allemaal dik tevreden.
Het conflict ontstaat wanneer verkleinde mensen gaan ontdekken dat ze het recht hebben groter te zijn. Dan kijken ze naar zichzelf en dan mompelen ze verbaasd: "Wij zijn niet Niets, wij zijn Iets en wij hebben het recht het Iets dat we zijn te verdedigen tegen diegenen die Niets van ons willen maken".
Het noodlot wil dat die ontdekking heeft plaatsgevonden in het heilig genoemde staatje Israël, waar zionistische nihilisten de idealen van het Grote Eeuwige Niets in de praktijk proberen te brengen.
Dankzij Hitler konden ze ongestoord hun gang gaan, maar hun zendingsdrang liep zichzelf dood op een uiterst kleine, onbeduidende groep tot Niets gereduceerde mensen die ontdekten dat ze Iets zijn.
Juist dankzij hun kleinheid en hun onbeduidendheid konden ze overleven en juist omdat ze zich proberen te ontworstelen aan de greep van het Niets mogen we zeggen dat ze in geestelijk opzicht Iets zijn.
De schrijver Harry Mulisch kijkt vanuit zijn leunstoel minzaam glimlachend toe en hij steekt er gezellig een pijpje bij op.
"Tsjonge", denkt hij, "zou het Niets waar ik zo'n dikke roman over geschreven heb gecompliceerder zijn dan mijn dikke, bekroonde roman, waarvan iedereen denkt dat het Iets is?"
Als anarchistisch schrijver knik ik dapper van ja. Maar ja, ik behoor tot de kleine groep van onbeduidende, tot Niets veroordeelde Ietsen en dan heb je geen schijn van kans in een wereld waarin nihilistische Nietszeggers indrukwekkende romans over Niets aan het schrijven zijn. (Zwolle, 10-1-2002)