DOMELA NIEUWENHUIS EN HET CHRISTENDOM
op het net geplaatst door LOES BAKKER
(alleen nog aanwezig in de cache van zoekmachines, zodat hier een kopie is geplaatst)
Hoofdstuk 1 Het leven van Ferdinand Domela Nieuwenhuis
In dit hoofdstuk beschrijf ik het leven van Ferdinand Domela Nieuwenhuis in vijf periodes. Na zijn jeugd en studententijd komt de tijd dat hij predikant was aan de orde. Daarna zijn tijd als socialist en ik eindig met zijn laatste periode, die van anarchist.
1. De jongen
Ferdinand Domela Nieuwenhuis werd geboren op 31 december 1846 te Amsterdam. Zijn vader, Ferdinand Jacobus Domela Nieuwenhuis was een beroemd predikant en hoogleraar aan het Evangelisch-Luthers Seminarium. Zijn moeder, Henriëtta Frances Berry was van Engelse afkomst. De familie Domela Nieuwenhuis was van Deense afkomst en behoorde tot de geestelijke aristocratie. Domela zelf noemde als familie eigenschappen: "geen kruiperig karakter, kritische zin, geest van tegenspraak en verzet, zelfstandig oordeel, een zichzelf zijn’" .
Er worden vijf kinderen in het gezin geboren. Frans is de oudste, dan komen Ferdinand, Fanny en Adriaan. Een broertje die na Frans werd geboren, en ook Ferdinand heette, is overleden.
Vanwege de slechte gezondheid van zijn moeder kreeg Domela als kind al jong de taak op zich om de verstandige oudere broer te zijn voor zusje Fanny en broertje Adriaan. Zijn vader was altijd druk en had weinig tijd voor de kinderen, zijn motto was: "Ieder uur is voor God". Domela zag zijn vader dan ook als de Lieveheer zelf en had hem lief met een onbegrensde eerbied. Met zijn moeder had hij een innige band. In het huis waar het stil moest zijn en men niet mocht hollen vanwege vader die aan het studeren was, gaf zij vaak kleur aan zijn leven. Zij kon hem prachtige sprookjes vertellen en wanneer zij daar geen tijd voor had ging hij ze uitspelen. Ook de liefde voor de natuur bracht zijn moeder hem bij. Zij was, als Engelse, dol op rozen en leerde Domela de namen van deze rozen.
De dood van zijn moeder, Domela is dan ruim 10 jaar oud, was voor hem zeer ingrijpend. Zijn vader hertrouwde en zijn stiefmoeder zorgde goed voor alles en allen, maar was zeer verstandelijk. De intimiteit die hij met zijn moeder had moest hij vanaf zijn tiende dus missen.
Zijn vader gaf de kinderen thuis catechisatie en leerde hen als Lutheraan natuurlijk de verhalen en de betekenis van Luther. De woorden van Luther:’Hier sta ik, God helpe mij, ik kan niet anders', waren van grote waarde en betekenis in huize Domela Nieuwenhuis. Ook het feit dat Luther de mensen voorging op een nieuwe weg en dat alle mensen het goed moesten hebben was van betekenis. Misschien dat hier al de grond werd gelegd voor de hartstocht voor het "recht voor allen" van Domela.
1.2. De student.
De weigering van zijn broer Frans om predikant te worden was van groot belang voor Domela. Frans had zijn geloof verloren en deelde dit mee aan zijn vader, die dit als een grote tegenslag ervoer. Frans echter dacht dat hij de slag wel te boven zou komen daar hij geloofde. Bedenk, zo zei Frans dat als ik gepredestineerd ben om u ongelukkig te maken, ik daar ook niets aan kan doen. Frans kreeg toestemming van zijn vader om rechten te gaan studeren. Door dit voorval werd de blik op Ferdinand gericht, hij wilde dolgraag als opvolger van zijn vader gezien worden, die had in die tijd veel invloed op zijn denkbeelden en inzichten.
Na zijn studie aan het Atheneum Illustre ging hij op zeventien jarige leeftijd studeren aan het Luthers Seminarium. Hij had een onbezorgde studententijd en verkeerde in de gegoede kringen van Amsterdam. Hij ging op in het studentenleven, dronk graag een glas wijn en hield van uitgaan. De colleges boeiden hem echter niet, liever bestudeerde hij zelf geschriften. Een uitzondering in de saaiheid van de colleges waren die van Amorie van der Hoeven. Deze professor wees als eerste op het bestaan van de sociale kwestie.
Langzamerhand ontgroeide hij de wereld van thuis, hij sprak hier echter niet over. Binnen het gezin waren hij en zijn broer Adriaan de idealisten. Domela kreeg in deze periode verkering met Johanna Lulofs. Haar ouders waren nogal ‘vrij’ aangaande geloofszaken en daar kon Domela dan ook allerlei gedachten uitspreken en bespreken. Domela was in zijn studententijd steeds op zoek en had behoefte aan een levend Christendom. Door de boeken van Eduard Douwes Dekker (Multatuli) leerde hij zelf na te denken over zaken waarin hij nooit een probleem gezien had. Hij leerde zijn eigen gedachten op een rij te zetten en te formuleren.
De verloving met Johanna Lulofs werd een feit en hij werd warm opgenomen in de schoonfamilie. Toen zijn vader stierf ervoer hij het gemis weliswaar, maar toch niet zo sterk als bij zijn moeder. Hij werd sterk naar Johanna toegetrokken en voelde zijn levenslust als nooit tevoren. Het leek erop dat met de dood van zijn vader ook steeds meer orthodoxie en geloofsleer losgelaten konden worden. Hij ervoer de houding van professoren, die vastzaten in hun dogma’s, als versteend. Hij besefte heel goed dat hij door zijn houding als modern gezien werd, en hij begreep dat zijn laatste examen niet gemakkelijk zou worden. Hij was echter bereid de waarheid, volgens zijn inzicht, te verdedigen tegen de verdrukking in. Zijn proponentsexamen werd een proef, hij moest preken over: "wie zegt gij dat de Christus is?". Hij behaalde dit examen maar zijn moeder laat Adriaan weten: "zijn moderne zienswijze heeft hij hen opgelegd, zoodat ze hem met zwaren strijd voor hun geweten hebben aangenomen" . Na dit proponentsexamen (zie bijlage B) wilde hij zo snel mogelijk aan de slag en daarom moest de doctorsbul nog even wachten.
1.3. De predikant
Na zijn studie en huwelijk met Johanna werd Domela in 1870 beroepen in Harlingen. Hij ging vol enthousiasme aan de slag en de kansel bleek een geliefde plaats voor deze redenaar. In zijn eerste preek gaf hij meteen blijk van zijn moderne opvattingen en bracht Luther naar voren als de vernieuwer die hij was in zijn tijd, maar ook zeker in deze tijd geweest zou zijn. In Harlingen maakte Domela kennis met de troosteloosheid in het bestaan van de arbeiders. Hij voelde zich aangetrokken tot hen en werd door hen gekozen tot scheidsrechter bij een werkstaking. Er was een conflict ontstaan tussen de patronen en de arbeiders. Domela werd getroffen door de goede, eenvoudige en rechtvaardige woorden die deze arbeiders naar voren brachten. Hij slaagde in het oplossen van dit conflict en er kwam een akkoord tot stand. Hij had het onomkeerbare gevoel dat het evangelie hem zijn plaats wees in de kring der armen. Was dit misschien ook de levende godsdienst waar hij naar op zoek was?
Johanna en Domela waren gelukkig samen en voelden elkaar aan naar lichaam en geest. Zij kregen twee kinderen. Na de geboorte van de tweede zoon in maart 1872, stierf Domela’s grote liefde negen dagen na de bevalling."Dit leed doortrok zijn gehele persoonlijkheid" . Hij was vijfentwintig jaar oud, weduwnaar en vader van twee kinderen. Inmiddels was hij predikant in Beverwijk geworden. Vanwege zijn gezondheid moest hij een korte vakantie nemen. Toen hij terug kwam stortte hij zich op zijn werk. Werk was het enige wat hem troost kon verschaffen. Een plan wat hij met Johanna had besproken werd uitgevoerd. Het Nieuwe Testament moest vertaald worden door theologen die Christus niet meer als Gods Zoon konden aannemen. De ontdekking van het menszijn van Jezus was iets wat hij met zijn geliefde Johanna had gedeeld.
In 1874 trouwde hij met Johanna Adriana Verhagen, die eveneens na de geboorte van haar tweede kind kwam te overlijden. De twijfel die reeds aanwezig was werd hierdoor alleen nog maar versterkt, zijn godsdienstige overtuiging brokkelde steeds verder af. Hij verdiepte zich grondig in allerlei literatuur en werd pantheïst. Deze overtuiging was moeilijk in overeenstemming te brengen met zijn beroep als predikant. Tenslotte brachten een eenvoudige Drentse landman, de atheïst H.C.J. Krijthe, en de ideeën van Multatuli hem ertoe te breken met de kerk. Op zeven juli 1879 bedankte hij voor het ambt en op 1 september hield hij zijn afscheidsdienst. Zijn preek: "Niemand lapt een oud kleed met een lap nieuw laken, want de lap scheurt verder van het kleed en de scheur wordt erger. Men doet ook geen most in oude lederen zakken, anders barsten de lederen zakken en de most wordt uitgestort en de lederen zakken bederven, maar men doet de most in nieuwe lederen zakken, dan worden beide tezamen behouden" . Het viel hem zeker niet gemakkelijk om te breken met het leven waarin hij opgegroeid was. Hij voelde het als verraad aan zijn vader, wie hij zeer hoog achtte. Hij kon niet anders want " de kerk stond in het geheel vreemd tegenover de arbeiderswereld en zijn verlangens. Er werd niet gevraagd of de sociale toestanden in overeenstemming waren met het evangelie of ermee vloekten. In de nood van de arbeiders daalde de kerk niet af. De arbeidersklasse ontving in zijn strijd voor bevrijding van de kerk alleen maar tegenstand" .
Domela vond een nieuwe gemeente in de arbeiders, die hem op de dag van zijn afscheid welkom heetten als hun woordvoerder.
1.4. De Socialist
In 1880 trad Domela in het huwelijk met Johanna Frederika Schingen Hagen, die in 1884, ook weer na de geboorte van haar kind overleed. In 1881 gaf Domela de stoot tot de oprichting van de Sociaal Democratische Bond (S.D.B.) en hielp in 1882 de Bond voor Algemeen Kiesrecht oprichten. Door middel van zelf verzameld materiaal, door rondzending van vragenlijsten, maakte hij zijn statistiek. Dit was om aan te tonen hoe erbarmelijk de situatie onder de arbeiders was. Hij wist dat het socialisme zwak was in Nederland, op een groep Amsterdamse arbeiders na die zich socialistisch georganiseerd hadden. Het belang van een bond was dus groot. In Harlingen had hij al kennis gemaakt met, en brieven ingezonden aan de Werkmansbode, maar nu zou hij zelf een blad oprichten om zijn gedachtengoed en dat van anderen te kunnen verspreiden (Zie bijlage C). Het propagandablad zou Recht Voor Allen gaan heten en bezorgde hem veel werk.
Het begrip "sociaal democratisch" zou in de toekomst een andere betekenis krijgen maar "Destijds was het een uitgesproken revolutionaire beweging, die steeds voor de omwenteling der bestaande maatschappij was, omdat zij verbetering van de positie der arbeidsklasse onder het handhaven van het kapitalisme en staat, zo niet geheel uitgesloten, dan toch onvoldoende oordeelde".
Aanvankelijk voerde de S.D.B. propaganda voor het algemeen stem- en kiesrecht. Domela maakte zich hier ook jaren sterk voor. In 1886 werd Domela veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, wegens majesteitsschennis. In "Recht Voor Allen" was een artikel geplaatst onder de gefingeerde naam W. Jansen, men kon de schrijver niet achterhalen. Omdat anders de drukker W. Liebers zou zijn vervolgd nam Domela de verantwoordelijkheid voor het artikel op zich. "Hij werd aangeklaagd wegens boosaardiglijk en openbaar smaden, honen en lasteren van den persoon des Konings". Het ging om zinnen zoals: "de bladen zullen wederom lange verhalen doen en liegen van de liefde van het Huis van Oranje voor het Nederlandse volk en van de geestdrift van genoemd volk voor zijn vorst". "Maar waarom zoude men ook zooveel sympathie voor deze Oranjevorst voelen? Door zijne handelingen?" Op negentien Januari 1887 werd Domela gearresteerd. Hij werd, na acht maanden, vervroegd vrijgelaten en verliet, sterk vermagerd en kaal, de cel. De mensen hadden moeite hem te herkennen en het effect van deze gevangenschap heeft waarschijnlijk een geheel andere uitwerking gehad dan de heersende klasse voor ogen had. Het gevolg van deze gevangenschap was dat Domela als eerste socialist, gekozen in het district Schoterland, in de tweede kamer kwam. Hij bleef lid van die kamer tot 1891, maar werd niet herkozen.
In ditzelfde jaar trouwde Domela met Johanna Egberta Godthelp. Na zijn kamerlidmaatschap ontwikkelde Domela steeds meer een anti-parlementaire houding. Sociale wetten zouden de arbeider steeds meer afhankelijk maken van de staat, terwijl diezelfde staat, volgens algemeen socialistische opvattingen uit die dagen, gedoemd was te verdwijnen. De ervaringen van Domela als kamerlid hebben zeker bijgedragen tot de ontwikkeling van deze gedachten. Hij typeerde deze periode als een zeer onaangename in zijn leven. Toch is deze periode belangrijk geweest, de stem van het volk was immers doorgedrongen in de daarvoor ontoegankelijke regionen. Het wrange is echter wel dat alles wat Domela in de Tweede Kamer in redevoeringen had bepleit later in vervulling is gegaan, zoals o.a.: "minimumloon, een zieken- en pensioenfonds voor arbeiders, een achturige werkdag, betaald zwangerschapsverlof, afschaffen van de gedwongen winkelnering (1907), algemeen actief en passief kiesrecht voor mannen (1917), algemeen kiesrecht voor vrouwen, voor jongeren vier uren werken en vier uren scholing per dag, een bureau voor de statistiek, een uitkering bij bedrijfsongevallen Wie dit indrukwekkende lijstje doorleest verbaast zich er bijna over dat Domela nog niet aan crèches heeft gedacht voor kinderen van de droogmaaksters van turf. De veenbazen zouden er meewarig om hebben gelachen, zoals ook zijn medekamerleden meewarig hun schouders ophaalden bij het aanhoren van zijn voorstellen in het parlement" .
Binnen de S.D.B. kreeg men te maken met twee stromingen: de antiparlementairen onder leiding van Domela Nieuwenhuis en de parlementairen onder leiding van Troelstra. Beide stromingen stond uiteindelijk een omwenteling voor ogen. De één via een revolutie en de ander via het parlement. Het geharrewar tussen beiden bleef voortduren en op 26 Augustus 1894 kwam het tot een scheuring. In Zwolle werd de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (voorloper van de P.v.d.A.) opgericht. Domela reageerde zoals altijd beheerst en tolerant, hij begreep dat het toch wel tot een scheuring gekomen zou zijn. Wel keerde hij zich tegen de voormannen van de S.D.A.P., die, zo meende hij, over het algemeen helemaal geen overtuiging hadden. Hij zag deze ‘twaalf apostelen’, de oprichters van de partij, als persoonlijke vijanden. Die vijandschap was wederkerig. "De invloed van Domela Nieuwenhuis was in 1894 zo groot dat de oprichting van de S.D.A.P. aanvankelijk een fiasco is geweest. Tegenover 60000 leden in 130 afdelingen van de S.D.B. in 1893 telde de S.D.A.P. op haar congres in 1895 slechts 24 afdelingen met nog geen 600 leden, daarbij nagenoeg geen arbeiders en volgens Vliegen hebben ten hoogste 250 leden van S.D.B. zich bij de S.D.A.P. aangesloten’". De S.D.B. werd verboden en veranderde de naam in Socialistenbond. In 1897 trok Domela zich uit de bond terug. In het laatste door hem geredigeerde nummer van "Recht voor Allen", 26-27 Maart 1898, schreef hij in zijn afscheidsartikel, het verschil in beginsel tussen de Socialistenbond en de S.D.A.P. niet te zien. Hij verwachtte daarom een verzoeningscongres. Domela kreeg gelijk het verzoeningscongres had plaats op 24 Juni 1899, daar besloot de Socialistenbond op te gaan in de S.D.A.P..
Hij deed het blad "Recht voor Allen" kosteloos over aan de partij.
1.5. De anarchist
Na lang dubben was Domela overgegaan naar het anarchisme. Hij gaf een nieuw blad uit "De vrije socialist". In 1898 schreef hij, ter gelegenheid van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina, "een vergeten hoofdstuk", waarin hij de wantoestanden onder de arbeiders aan de kaak stelde. Zijn invloed was bij de spoorwegstaking in 1903 en bij het hongeroproer in 1916 nog steeds merkbaar.
Domela kwam er bij toeval achter dat hij geplaatst was op een internationale lijst van gevaarlijke anarchisten, met foto’s en een levensbeschrijving. Hij stond als nummer 9 op die lijst, en hij die wars was van decoratie, beschouwde die "9" als zijn ereteken. De Europese staten hadden in hem hun vijand herkend, zijn wapens waren zijn ideeën en die leken gevaarlijker dan wapens van staal en dynamiet.
Vlak voor zijn dood schreef hij dat mannen, die hun tijd vooruit zijn alleen in de wereld staan. Dit is echter te verkiezen boven het omgekeerde, zij die bij de tijd achterblijven voelen zich nog meer verlaten.
Op 18 november 1919 is Domela Nieuwenhuis overleden.
Hoofdstuk 2 Domela en het christendom
In dit hoofdstuk gaat het over de vraag hoe de relatie was tussen Domela en het christendom. Wat had hij van huis uit meegekregen op godsdienstig gebied en vervolgens wat deed hij er zelf mee. Wanneer en waarom veranderden deze opvattingen en hoe was hij als atheïst?
Van huis uit
Domela groeide op in een gezin dat godsdienstig het midden hield tussen streng dogmatisch en het modernisme. Zijn vader voelde zich aangetrokken tot de zogenaamde "Groninger richting" in de theologie. Dit was een vernieuwende beweging die opkwam rond 1830 in de Nederlandse Hervormde Kerk en praktische vroomheid boven de leerstelligheid plaatste. Deze Groningse visie was optimistisch omtrent mens, zonde en verlossing. Deze blijmoedige visie sloot meer aan bij de sfeer van de lutheranisme dan bij het vreugdeloze calvinisme.
Zijn vader bleef lange tijd zijn identificatiemodel. Maar naast zijn vader was Jezus van Nazareth zijn grote voorbeeld. "Christus had de mensen zijn broeders genoemd en daarmee aangegeven dat de mens net als hijzelf een goddelijke aanleg heeft en tot het waarlijk goede kan komen, namelijk door hem na te volgen" . Deze navolging van Christus zou van groot belang zijn en blijven in het leven van Domela.
Eigen verworven inzichten omtrent religie
In zijn studententijd begon Domela liberale opvattingen aan te hangen.
De wonderverhalen uit zowel het Oude Testament als uit het Nieuwe Testament moesten het ontgelden. Zijn geloof werd steeds rationalistischer.
De wens echter om predikant te worden bleef bestaan, dit in tegenstelling tot Busken Huet en Allard Pierson, wier brieven hij grondig bestudeerde. Beide waren predikant en beide waren zij tot de slotsom gekomen niet verder te kunnen als ambtsdrager. Vooral Busken Huet die op een wetenschappelijke manier kritisch met de bijbel omging, sprak Domela erg aan. Hij snapte echter niet waarom een breuk met de kerk nodig was.
Domela bleef een Jezus-fan, "met wie hij al dikwijls werd vergeleken" . Domela was eerlijk, consequent en strijdbaar. Hijzelf maar ook vrienden en zelfs zijn vijanden zagen in hem daarom een Jezus-figuur, althans een geseculariseerde interpretatie ervan. In Friesland sprak men over "Us Ferlosser" en men sprak hem aan met "meester".
Jezus lijkt na de dood van zijn vader het identificatiemodel voor Domela te zijn geworden en is dat volgens mij ook gebleven. Het leven van Jezus was altijd het belangrijke thema in zijn preken. De metaforen die hij vanuit de bijbel van Jezus voor het socialisme kon gebruiken, zijn talrijk te noemen. Toen hij in hechtenis werd genomen wegens majesteitsschennis citeerde hij Jezus: "Weent niet om mij, maar over uzelf en uwe kinderen". De Jezus van Domela was een wereldse figuur met uitgesproken politieke opvattingen die overeenkwamen met die van Domela zelf. Daden waren altijd van groter belang dan mooie christelijke woorden. Hijzelf was hier natuurlijk mee groot gebracht. We proeven de invloed van de "Groninger richting". Later kreeg deze Jezus-figuur revolutionaire en anarchistische trekken.
Ook in de Paulus-figuur werd Domela herkend, maar dan in omgekeerde richting. Domela zei de kerk vaarwel en dat werd als zijn bekering gezien. De naleving van Jezus was van belang, niet het geloof in hem, dat deed er eigenlijk niet toe. Dit speelde al in zijn predikantentijd. Dit was ook de reden waarom hij ooit in Den Haag geweigerd had om in de Hemelvaartsviering voor te gaan. Dit zou niet stroken met zijn eerlijkheid, hij kon niet meer geloven in de goddelijke Jezus. Het niet meer kunnen aanvaarden van God als macht boven zich had ook te maken met de tegenslagen in zijn persoonlijk leven. De dood van zijn eerste en daarna zijn tweede vrouw hebben deze gedachten in een stroomversnelling gebracht. Het was niet te rijmen met een goede God, en met deze God die dit zou toelaten kon Domela niet uit de voeten, dus een God met zulke macht bestond niet. Als men het beeld van zondag tien van de catechismus oproept kan men hier iets van begrijpen. Als Lutheraan was hij niet gebonden aan deze catechismus maar hij wist ongetwijfeld van het bestaan.
In zondag tien staat: vraag 27. Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
Antwoord: De Almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods a, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert b, dat loof en gras, droogte c, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijzen en drank, gezondheid en krankheid d, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.
Dit was wel het algemene godsbeeld in die dagen, ook de predestinatie werd serieus genomen ( denk aan gesprek broer Frans en zijn vader). Domela kon niet langer uit de voeten met dit godsbeeld en wees het dan ook af. Ook de teleurstelling in de kerk zelf was hier debet aan.
Doordat hij God afwees bleef er in zijn dagen niet veel anders over dan zich atheïst te noemen.
Hij zag zijn eigen lijden als een aanleiding om zijn krachten in te zetten voor het lijden van de mensheid. Hij inspireerde mensen en de mensen vereerden Domela. Er is bekend dat mensen een portret aan de muur hebben hangen van Domela, waaruit ze nu nog dagelijks inspiratie putten.
Het gekke is dat Domela nooit protest heeft aangetekend tegen de verering van zijn persoon. Het is zeker niet zijn bedoeling geweest maar ik denk wel dat het zijn ego heeft gestreeld. Als anarchist nam hij daar bewust afstand van, maar de verering van zijn persoon was zeker niet direct te stoppen.
Zijn jongste zoon Cesar zei dat hij het over tenminste één ding nooit eens is geworden met zijn vader en dat is zijn atheïsme. Voor hem was zijn vader altijd het type "homo religiosus". Hij vond zijn vader altijd de personificatie van een waarachtig gelovige. Zijn hele leven had zijn vader de blijde boodschap willen brengen. Zijn redevoeringen waren doorspekt met bijbelteksten. Cesar kon zich nog goed het laatste openbare optreden van zijn vader herinneren. Het was tijdens een vergadering in de Diamantbeurs in 1918 te Amsterdam. Daar besloot zijn vader zijn rede met: "dat hij als Mozes het beloofde land heeft gezien zonder er te mogen binnenkomen". De ware gelovigen zijn diegenen, die de uitbuiting van de mens door de mens willen afschaffen, daarmee alle haatgevoelens, om zo een menselijkheid te willen verwezenlijken die nog niet bestaat, aldus Cesar. Klinkt hier niet de vader zelf in door!
Hoofdstuk 3 Anarchisme
In dit hoofdstuk zal ik eerst in het algemeen wat zegen over het anarchisme. Wat is dit voor een beweging, wat wil men bereiken? Het volgende gedeelte gaat over Domela’s opvatting over het anarchisme en hoe hij dit in de praktijk bracht.
3.1. Anarchisme algemeen
Ondanks de veelheid van theoretische stromingen binnen het anarchisme kan er toch een gemeenschappelijke visie op de mens en samenleving worden onderkend. Vanuit de Verlichting kreeg het anarchisme de idee van de aangeboren goedheid van de mens aangereikt. De dwang als instrument van het gezag (b.v. de staat), verdringt de natuurlijke goedheid van de mens. De gebruiken en instellingen van het gezag, vooral de staat en haar wetten, maken het mogelijk dat mensen elkaar bederven en uitbuiten. Deze instellingen stimuleren dit zelfs. Terwijl het voornaamste recht van elk individu het recht op persoonlijke vrijheid is. Volgens het anarchisme kan een mens zich alleen in een regime van volledige vrijheid ontplooien. Elke vorm van gezag dus, ook democratische, beknot de menselijke vrijheid en vernauwt de creatieve persoonlijkheid. De staat als gezag staat voor verdrukking. Als men het gevestigde gezag afschaft, zullen vanzelf hinderpalen voor de menselijke ontplooiing en de onrechtvaardige sociale toestanden verdwijnen. Omdat de mens van nature een sociaal wezen is waarin een drang naar gemeenschap leeft. De mensen zullen dan ook vrijwillig en spontaan met elkaar samenwerken. De nieuwe samenlevingsvorm zal een maatschappij zijn zonder dwang van staat en wetten. De betrekkingen die door de mensen onderling aangegaan worden zijn vrijwillig en steeds ophefbaar. Zo zullen er eerlijke overeenkomsten tot stand komen. Een ongekende opbloei van menselijke mogelijkheden zal het gevolg zijn.
Domela als anarchist
De stap tot het anarchisme was net zo geleidelijk tot stand gekomen als die tot het socialisme. Wanneer de stap een feit is voelt Domela zich vrij en gelukkig. Na zijn werk als predikant had hij direct een nieuwe "gemeente", namelijk de arbeiders. Hij was leider geweest van een partij en had daardoor de macht gehad en uitgeoefend. Weliswaar was hij met de partij tot leider gegroeid en had hij het leiderschap niet bewust gekozen. Nu wilde hij juist geen partij, geen organisatie en elk dogma had hij verworpen. Nu had hij de weg naar roem en eer bewust afgesneden. Elke organisatie was een tiran, die de leiders in eerste plaats aan zich onderwierp.
Sporen van anarchisme waren al aanwezig in de tijd dat Domela socialist was. Als socialist had Domela echter de anarchisten bestreden omdat hij elke splitsing van het proletariaat toen nog gevaarlijk vond, in de strijd tegen het kapitalisme.
Door kennismaking met mannen als Kropotkin en de gebroeders Reclus was hij er toe gekomen om zich te verdiepen in het anarchisme. In tegenstelling tot Marx ziet Domela in Proudhon, een Franse socialist, die als één van zijn leermeesters de bijbel aangaf, een zoeker naar de waarheid. De grondslag van de samenleving moest volgens Proudhon volledige persoonlijke vrijheid en dus een afwezige staat zijn. Bakoenin was anarchist en een grote tegenstander van Marx. Bakoenin stond vijandig tegenover het staatssocialisme en pleitte dan ook voor een samenleving zonder gezag, gebaseerd op de volledige soevereiniteit van elk individu.. Werkelijk vrije mensen zouden vanuit zichzelf tot solidariteit komen en zo tot steeds veranderende gemeenschappen. Domela zag Bakoenin overal waar in Europa opstanden uitbraken. Kropotkin was een leerling van Bakoenin, maar in tegenstelling tot zijn leermeester was hij allereerst filosoof. Hij was een theoreticus en propagandist van het wetenschappelijk anarchisme.
De individuele anarchisten, met als voorloper Max Stirner, kwamen tot het "anarchisme van de daad". Aanvankelijk veroordeelde Domela dit soort anarchisme dat aanslagen nodig achtte op personen die zij beschouwden als vijanden van de mensheid. Door bestudering van hun levens kwam Domela echter tot begrip voor deze anarchisten van de daad. Zij werden zo door hun geweten verontrust, wie kende dit beter dan Domela zelf, dat zij liever stierven in verzet dan te leven in een huichelachtige wereld. Maar het begrip van Domela gold alleen de mensen en niet hun daden. Domela vond dat ieder mens zijn eigen verantwoordelijkheid bleef houden.
Oude strijdmakkers uit Amsterdam, de Zaanstreek en het Noorden bleven Domela trouw en deze vormden, volgens het nieuwe principe, los verbonden groepen die Domela regelmatig verzochten om te komen spreken. De ‘vrije socialist’ had voldoende lezers en zorgde voor collectieve propaganda. In de krant richtte Domela zich twee keer per week tot het volk, hij bleef tenslotte een prediker. Verder werkte hij aan boeken, vertalingen, brochures en aan de correspondentie die de krant met zich meebracht, wat dat betreft was zijn leven weinig veranderd. Zijn boek, "De geschiedenis van het socialisme", kwam gereed in 1902, waarin hij de parallel in de stromingen socialisme en anarchisme duidelijk en scherp aantoonde.
Domela had nog steeds een omwenteling voor ogen maar zag deze wel veel verder in de toekomst liggen. Overal in Europa was er oorlogsdreiging en Domela had het gevoel dat na die chaos, die door mensen gemaakt en dus gewild is, het wereldproletariaat zuivere gemeenschappen zou kunnen opbouwen. Domela zelf was zijn hele leven vredesactivist geweest en had al in Harlingen een Vredesbond opgericht. "Sinds hij anarchist was kwam daar nog bij: het verzet tegen deze vorm van gezag, die een mens, de jonge soldaat, verlaagt tot een werktuig, een ding"
In 1904 werd in Amsterdam de Internationale Antimilitaristische Vereniging, de I.A.M.V. opgericht. Domela nam graag het secretariaat op zich.
In zijn autobiografie "van Christen tot Anarchist" schreef Domela: "Mijn hele ontwikkelingsgang is een harmonische geweest, steeds van het lagere naar het hogere. Van gelovig theïst werd ik atheïst. Ik werd socialist omdat er voor de mens die niet gelooft aan een hiernamaals niets anders overblijft. En van socialist werd ik anarchist omdat ik zag dat het socialisme eenzijdig slechts de helft bevorderde van de bevrijding van de mens, door hun hoogstens te waarborgen dat hij geen honger en gebrek zou lijden, maar de mens niet geestelijk vrijmaakte, daar hij gebukt kan blijven onder het gezag, in welke vorm dan ook" .
Hoofdstuk 4 Christendom en anarchisme
Dit één na laatste hoofdstuk gaat over christendom en anarchisme.
Allereerst zal ik laten zien dat Jezus, volgens sommige opvattingen, als voorbeeld van een anarchist kan dienen. In het tweede gedeelte zal ik het christenanarchisme beschrijven en Domela’s ideeën hierover.
4.1 Jezus en het anarchisme
In de bijbel is het vooral de Jezusfiguur uit het Nieuwe Testament die tot de verbeelding sprak ( en spreekt) en inspirerend werkte. Zo zag de Fransman Ernest Renan, die niet in de goddelijkheid van Jezus geloofde, wel Jezus als het prototype van de anarchist. Ook Max Stirner had een grondige kennis op het gebied van de bijbel, hij wees de bijbel af, maar over Jezus sprak hij met respect, evenals over de eerste christenen. Hij zag Jezus als een opstandeling die zich verhief. Jezus was een ontkenner, die de staat en de godsdienst zou laten wegkwijnen. Zelfs Friedrich Nietzsche maakte voor Jezus een uitzondering in zijn anti-Christ: "Jezus…. Deze heilige anarchist, die opriep tegen de gevestigde orde…. Er is slechts één christen geweest en die stierf aan het kruis… Het ‘evangelie’ stierf aan het kruis…." .
Nietzsche ziet het Christendom als het Jodendom in het kwadraat. Daar waar hij in het jodendom nog realiteit en natuurlijkheid kon zien, zag hij het Christendom als hernieuwde denaturering. Paulus is in de ogen van Nietzsche de boosdoener, hij projecteerde een goddelijk gericht op de toekomst, het "Rijk Gods". Jezus werd, als verzoenmiddel, misbruikt binnen het Christendom. Nietzsche klaagde de goddelijke vergeving aan, die de menselijke verantwoordelijkheid een alibi verschafte. God had alleen een functie als macht van de priesters, hij is dus een metafoor en kan achterwege gelaten worden ( de dood van God). Deze kritische confrontatie van Nietzsche met het Christendom sluit Jezus, als persoon, uit.
Ook Proudhon was een bijbelvorser, al werd dat pas bekend na zijn dood. Toen verschenen er drie studies van zijn hand waarin hij stelde dat Jezus de anti-messias en de antichrist was, hij verwees naar Lucas 9:20-21 waarin Jezus de discipelen verbood hem Christus te noemen.
Jezus, zoals hij ons is overgeleverd in de evangeliën, geeft volgens Proudhon, in zijn teksten aanleiding om hem als anarchist te kunnen zien.
We lezen in Matth. 5:17: "Meent niet dat ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden, maar om te vervullen". De wijze, de rechtvaardige mens staat immers boven de geschreven wet volgens het anarchisme. De anarchist regeert zichzelf vanuit een innerlijke wet. De uitspraak van Jezus tegen Pilatus: "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld" ( Joh.18:36) kan vanuit het anarchisme uitgelegd worden dat Jezus hier doelde op de wereld van de vrije geest, de mens met innerlijke beschaving, met gevoel voor rechtvaardigheid, en niet van de wereld van het platvloerse, van het materieel gewin, waar valse koningen hun hoofden kroonden. De echte koningen, de rechtvaardigen kregen de doornenkroon en werden verguisd en bespot gegeseld en aan de schandpaal genageld.
4.2 Christenanarchisten
In de 19e eeuw ging ds. Reitzel naar Amerika en ontwikkelde zich daar tot vrijdenker en anarchist. Als hij een keuze zou moeten maken uit twee boeken welke hij kon meenemen naar een onbewoond eiland dan nam hij Shakespeare en de Bijbel mee. "Shakespeare omdat er alles in staat en de Bijbel omdat je daar alles uit kunt halen". "Veel christenen die vrijdenker werden namen in ieder geval wel de bijbel mee als inspirerend boek" . Christendom en anarchisme hebben, zo zei hij, relaties, gemeenschappelijke aspecten en problemen. Wanneer we het hier hebben over het christendom dan hebben we het niet over de kerk en de kerkelijke organisatie. Veel gelovigen die sociaal bewogen en betrokken waren, beriepen zich op de bijbel maar botsten tegelijkertijd met hun kerk. Kerk, kapitaal, geloof en gezag hoorden eerder bij elkaar dan socialisme in het kerkelijk milieu. Denk maar aan de Katholieke Kerk met haar hiërarchische structuur; een paus aan het hoofd van een kerk, als machtig persoon, is wel het onbegrijpelijkste wat er uit de evangeliën te halen is. Jezus zei juist geen wetten te maken over wat hij geopenbaard had. Het is niet verwonderlijk dat in eerste instantie juist vanuit de protestantse kant toetreding is tot christenpacifisten, christensocialisten en christenanarchisten. Het anarchisme is van oudsher in verbinding te brengen met het christendom of althans delen daarvan. Revolutionaire bewegingen hebben met het christendom gemeen dat ook zij heil verwachten, in de zin van een betere wereld in het hier en nu. Het anarchisme deelt ook het idee van concreet en direct aan de slag gaan met het christendom. Concreet bezig zijn doet een beroep op ieders persoonlijke verantwoordelijkheid. Christenen verbinden die persoonlijke verantwoordelijkheid bewust met hun christen-zijn.
Het christenanarchisme heeft drie belangrijke bronnen, allereerst de moderne theologie. Het modernisme was een belangrijke vernieuwingsbeweging binnen de Nederlandse Hervormde Kerk in de 19e eeuw.
De meest vergaande conclusie was het bestaan van Jezus in twijfel te trekken, maar ook de goddelijkheid van Jezus werd afgewezen. De tweede bron is de arbeidersbeweging. Veel theologen, vooral jonge Leidse theologen, raakten in hun werkzaamheden betrokken bij de arbeidersklasse. Deze betrokkenheid had tot gevolg dat veel van hen kozen voor de sociaal democratie, anderen kozen voor het anarchisme. De derde bron waren buitenlandse voorbeelden. Vooral Tolstoj maakte grote indruk op de modernisten in Nederland. Men wilde echter geen Tolstojanen genoemd worden maar christenanarchist; christen dus anarchist. Dit is echter geen bijkomstigheid, zij wilden zowel in hun christen zijn als ook in hun anarchist zijn serieus genomen worden.
De consequentie van elk anarchisme, dus ook die van het christenanarchisme, is misschien een anarchisme zonder adjectieven, zonder koppelteken naar personen of naar christen zijn, omdat dit in tegenspraak is met het anarchisme zelf. Domela stelde deze tegenspraak al aan de kaak in zijn "Geschiedenis van het socialisme". Christus aannemen als het hoogste gezag en toch anarchist zijn is uitgesloten volgens Domela.
Domela kreeg vanuit het christenanarchisme wel tegenspraak. Hij, die zelf het Jezusbeeld voor zich had staan op zijn schrijftafel, maar met het geloof had afgedaan, luisterde niet naar standpunten van anderen. Domela schilderde christenanarchisten af als een afwijkende tendens binnen het anarchisme, ze werden dan ook door hem bestreden.
Hoofdstuk 5 Hier sta ik, ik kan niet anders
Zo aan het einde van de scriptie lijkt de vraag die ik me bij aanvang stelde haast overbodig geworden. Door verdieping in het leven van Domela Nieuwenhuis heb ik leren inzien wat de man bewoog en waardoor hij het gevoel had niet tot andere keuzes te kunnen komen dan hij gedaan heeft. Hij was een man van principes en de gevolgen van die principes nam hij dan ook zonder morren op zich. Het is nogal wat geweest in die tijd. De stap om uit de kerk te treden en zich in dienst te stellen van het socialisme. Hoewel naar mijn gevoel het socialisme en het christendom heel nauw met elkaar verweven behoren te zijn, was dat in de dagen van Domela zeker niet het geval. Wanneer je zoals hij tot de conclusie komt dat God voor je heeft afgedaan, wanneer je God niet meer kunt aanvaarden als een macht, dan is het socialisme misschien wel de meest logische stap.
Domela is mijn inziens ook wel een man van zwart – wit. Hij wil voor zichzelf ordening. Deze ordening zie je terug in zijn studeerkamer, in zijn werk en in zijn keuzes. Hij moet op een bepaalde manier de zaak onder controle hebben. Mede hierdoor heeft hij ook onnodig vijanden gemaakt.
Zijn teleurstelling in het socialisme vind ik tragisch. Een man die zoveel voor het socialisme betekend heeft, hij die al zijn tijd, gedurende zo’n 20 jaar, aan het socialisme heeft besteed zou beter verdienen denk ik dan. Tegelijkertijd denk ik dat zijn karakter en zijn autoriteit debet zijn aan deze teleurstelling. In de S.D.B. was het zo’n geharrewar geworden dat het voor de gewone arbeider niet meer te begrijpen was. Binnen het socialisme heeft hij vaak gezegd dat de mensen zelf een verandering moesten bewerkstelligen en niet de partij. Een vrijdenker was hij natuurlijk al van huis uit. De stap naar het anarchisme was er één die uit ervaring voortkwam. Hij ervoer in het socialisme op den duur slechts eenzijdige bevrijding en hij wilde gehele bevrijding. Anarchisme kon deze bevrijding geven, de bevrijding waar hij zijn hele leven naar op zoek was. Hieruit voort kwam ook zijn verzet tegen het christenanarchisme. Deze groep was niet zelf vrij maar stelde zich onder het gezag van Jezus. Domela vond dat het gezag bij ieder individu persoonlijk lag. Voor mij blijft de vraag of Domela zich niet alleen met de mond maar ook werkelijk geheel en al heeft kunnen ontdoen van zijn christelijke wortels. Ik denk het zelf eigenlijk wel maar blijf toch vragen houden. Misschien is dat ook mijn eigen probleem wel. Ik heb ook mijn vragen en twijfels maar zou nooit zulke veranderingen kunnen aangaan als hij heeft gedaan. Daarom denk ik ook dat deze persoon mij heeft aangesproken. Tegenwoordig zijn wij zo laks, waar staan we nog voor en waar gaan we voor?
In beginsel is het anarchisme een edele beweging. Ik heb het hier dan niet over het anarchisme van de daad, deze stroming keur ik persoonlijk af, al probeer ik wel hun inzichten te begrijpen. Domela had veel bewondering voor enkele anarchistische vrienden en is ook zeker door hen beïnvloed. Hij is door zijn keuze voor het anarchisme wel veel meer alleen komen te staan, dit past echter weer bij een vrijdenker.
Het christendom, het socialisme en het anarchisme zijn alle drie ideologieën. Wat komt er van deze ideologieën terecht? Het christendom heeft te maken met een enorme terugval van leden. De kerk breekt haar hoofd erover hoe de schapen bij de kudde te houden. Het socialisme van Domela is misschien nog het best terug te vinden in de Socialistische Partij. Voor de Partij van de Arbeid zou Domela zich schamen. Het socialisme viert echter wel hoogtij. Nooit waren er zoveel socialistisch partijen, ook in de omringende landen, die deel uit maken van de regering. Het anarchisme is een kleine groep waar we eigenlijk weinig van horen. Ik heb het idee dat het voor deze groep vrijdenkers ook het minst belangrijk is.
De arbeiders waar Domela zich altijd voor ingezet had, zijn hem nooit vergeten. Vanuit zijn kerk, vanuit het socialisme en vanuit het anarchisme heeft hij altijd mensen aangesproken door wie hij was: "Een mens die niet anders kon". Deze zinsnede van Luther breng ik met Domela in verband. Wanneer hij niet anders kon dan maakte hij een overstap, hoe moeilijk dit ook was.
|
|
Bijlage A: Een bezoek aan het Willem van Harenmuseum te Heerenveen.
In het centrum van Heerenveen staat een oud schoolgebouw, dat nu onderdak biedt aan het Willem van Harenmuseum. Daar is een speciale afdeling voor Domela Nieuwenhuis ingericht. Aanvankelijk stond dit materiaal in een museum in Amsterdam, maar door omstandigheden verhuisd naar Heerenveen. Ik denk dat dit ook een goede plaats is voor een museum ter nagedachtenis aan Domela. Hij is nu, als het ware, weer op de plaats van het district dat hem naar de Tweede Kamer afvaardigde.
De Studeerkamer
De eerste ruimte die men binnenkomt is de studeerkamer van Domela. Daar zien we het oorspronkelijke bureau met het witte Christusbeeld staan, verder staat er een sofa, een boekenmolen en veel boeken in de kasten. In die boekenkasten staan talloze publicaties van Domela zelf. Ook een gedeelte van zijn eigen boekenkast wordt hier tentoongesteld. Dit inventaris komst uit het Domela Nieuwenhuis fonds. Dit fonds was ontstaan om Domela een onbezorgde oude dag te geven. Arbeiders stortten centen en stuivers in dit fonds. Domela was een rijk man geweest, hij had echter verkeerd geïnvesteerd en veel geld uitgegeven aan de zaak van het socialisme. Uit dankbaarheid voor dit gebaar liet Domela het fonds zijn bibliotheek en bezittingen uit zijn werkkamer na. Het ademt een sfeer van deftigheid en ordening. Het zijn zichtbaar chique meubelen die een leven lang zijn meegegaan. Het is natuurlijk bijzonder om zo’n ruimte te betreden en terug te gaan in de tijd. Ook de portretten en prenten zijn te zien, van de eerste Johanna en van personen voor wie hij een grote bewondering had.
Vergaderzaaltje
Er is ook een vergaderzaaltje ingericht van het soort waarin socialisten rond 1900 optraden. Er is een podium, een katheder en er staan rijen stoelen. Vanuit een luidspreker spreekt Domela de bezoekers toe, terwijl op een scherm tegen één van de muren de thema’s worden uitgebeeld die hij in zijn toespraken behandelde. In het midden van de zaal staat een grote vitrinekast met originele documenten met betrekking tot Domela’s publieke leven.
Volksherberg
Het laatste zaaltje is ingericht als volksherberg. Je hoort er mensen over Domela praten, zijn portret en andere persoonlijke bezittingen hangen hier aan de muur. Naast het privé-leven in zaal 1 en het publieke leven in zaal 2 wordt hier dus ook het voortleven van Domela als mythe belicht. Op video wordt hiervan verslag gedaan.
Het museum verwacht veel van deze tentoonstelling. Domela zou nog steeds voor veel mensen een inspiratiebron kunnen zijn. Ook komt Domela weer voor in de eindexamens geschiedenis voor HAVO en VWO. Mensen die zich willen laten inspireren door een persoon die stond voor zijn principes en daarna leefde moeten zeker een bezoek aan dit museum niet overslaan.
Ik persoonlijk was onder de indruk van de kleinschaligheid en toch de kwaliteit, geheel in stijl dus met de tentoongestelde persoonlijkheid.
Bijlage B. Activiteiten Domela Nieuwenhuis
Proponent, vanaf 1868 tot 1870
Evangelisch Luthers predikant te Harlingen, van 1870 tot 1871
Evangelisch Luthers predikant te Beverwijk, van 1871 tot 1875
Evangelisch Luthers predikant te ’s-Gravenhage, van 1875 tot 1879
Redacteur "Recht voor Allen" van 1879 tot 1898
Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, voor kiesdistrict Schoterland, van 1888 tot 1891
Redacteur "De vrije socialist", van 1897 tot 1918
Bijlage C. Geschriften van Domela Nieuwenhuis
Hij publiceerde anoniem 42 sociale brieven in de "Werkmansbode", van 1878 tot 1879
"Mijn afscheid van de kerk" ( 1879)
"Grond en bodem in gemeenschappelijk bezit" (1879)
"Algemeen stemrecht in beginsel en toepassing" (1879)
"Hoe ons land geregeerd wordt op papier en in de werkelijkheid" ( 1885)
"De normale arbeidsdag" (1887)
"Autoritair en Libertair socialisme" ( 1897)
"Le socialisme en danger" (1897)
"De geschiedenis van het socialisme" (1901 – 1902, drie delen)
"Van christen tot anarchist", autobiografie ( 1910)
Bijlage D. Enkele belangrijke personen
Marx (1818 – 1883) werd geboren uit Joodse ouders. Hij ging in 1835 rechten studeren in Bonn. Een jaar later verhuisde hij naar Berlijn en veranderde zijn studierichting in wijsbegeerte. Hij wilde na zijn studie een academische loopbaan beginnen maar dit mislukte omdat zijn mentor Bauer vanwege zijn atheïstische overtuiging zijn leerstoel kwijt raakte. Marx werd medewerker en later hoofdredacteur van " Den Rheinische Zeitung". Het blad hield op met verschijnen vanwege moeilijkheden in de censuur. Marx trouwde en trok in 1843 naar Parijs. Hij publiceerde hier zijn eerste socialistische werken. In 1844 leerde hij Friedrich Engels kennen, deze bleef zijn hele leven een trouwe medewerker van Marx. Hierdoor is het niet altijd duidelijk wat door Marx en wat door Engels werd geschreven. Contacten met Bakoenin en Proudhon brachten een radicale wending in zijn denken en leven teweeg. Hij werd het land uitgewezen en verbleef drie jaar in Brussel. Hij werd door Karl Schapper verzocht een programmatische tekst op te stellen voor het geheime Britse Communist League. Zo verscheen in 1848 het Communistisch Manifest. Marx keerde terug naar Keulen en kreeg financiële steun om de "Neue Rheinische Zeitung" uit te geven, deze krant werd echter weer verboden. Hij moest uitwijken naar Londen, waar hij, kleine tussenpozen daargelaten, zijn verdere leven bleef wonen. Hij schreef veel. In 1867 kwam het eerste deel uit van zijn beroemde werk "Das Kapital". De twee volgende delen werden opgesteld door Engels, en wel in 1885 en 1894, bestaande uit manuscripten en notities.
Tussen 1864 en 1876 was Marx actief in de eerste internationale. Hij moest zich daar verdedigen tegen concurrerende stromingen (Bakoenin). Marx leidde zijn filosofie af uit zijn materialistische dialectiek. Volgens hem is elk historisch gebeuren het resultaat van de wisselwerking van alle economische, sociale en politieke factoren. Hij kwam tot de conclusie dat de voortdurende strijd tussen de uitgebuite en de uitbuitende klassen, waarin heel het verleden en heden van de mens opgaat, nu aan zijn eindpunt was gekomen. Het proletariaat zal zich niet kunnen bevrijden van de uitbuitende klasse, de bourgeoise, zonder tegelijk en voorgoed de maatschappij te bevrijden van uitbuiting van de mens door de mens, van verdrukking en van de klassenstrijd. De klassenstrijd zal de klassenloze maatschappij in het leven roepen, aldus Marx.
Proudhon (1809 – 1865) vestigde zich in 1838 in Parijs als journalist. Zo kwam hij in contact met socialistische kringen. Hij kwam ook in contact met Marx, van wie hij al spoedig een tegenstander zou worden. Proudhon’s eerste werk "Qu’est-ce que la propriété" in 1840 maakte hem beroemd. In dit werk staat de beroemde zin "eigendom is diefstal", welke echter niet de samenvatting van zijn ideeën is.
Hij gaf een krant uit en werd in 1848 lid van de grondwetgevende vergadering. Hij probeerde een volksbank op te richten, deze moest gratis krediet verstrekken aan diegenen die er goed gebruik van konden maken. Door democratisering van eigendom hoopte hij de tegenstelling tussen kapitalisten en proletariërs op heffen. Het project mislukte en werd opgeheven.
Proudhon werd gevangen genomen en voor drie jaar achter de tralies gezet omdat hij enkele artikelen tegen Napoleon III had uitgegeven. Na zijn vrijlating trouwde hij met een jonge arbeidster en gaat zich bezig houden met een studie van politieke problemen. Hij vluchtte naar Brussel om een gevangenisstraf te ontlopen. Proudhon was een tegenstander van het communisme in het algemeen. Op sociaal-economisch gebied was hij een voorstander van het mutualisme ( het streven om elkaars economische belangen te verdedigen door onderlinge verzekeringen, hulp etc.), op politiek gebied van het federalisme. Voor het bereiken van die doeleinden moest de staatsstructuur worden vervangen door een vrijwillige samenwerking van mensen of groepen.
Bakoenin (1814 – 1876) is een Russich anarchist van adellijke afkomst. In 1835 nam hij als officier ontslag uit het leger. Vanwege revolutionaire ideeën moest hij uitwijken naar het buitenland. Hij woonde van 1842 tot 1847 in Parijs waar hij Mar en Crouton leerde kennen. Ook onderging hij de filosofische invloed van Hengel en Feuerbach. Hij nam deel aan tal van revoluties, o.a. die van Parijs en Praag. Hij werd wederom vanwege zijn ideeën verbannen naar Siberië, maar wist vier jaar later te ontsnappen. Hij gaat naar Engeland en later naar Zwitserland. Hij nam deel aan de eerste internationale in 1867 en stichtte een Italiaanse afdeling. In 1868 richtte hij het revolutionaire verbond van de socialistische democratie op. Hij wilde het klassenonderscheid afschaffen, vrouwen emanciperen en het bezit van productiemiddelen aan de gemeenschap toekennen. Elke vorm van overheid, dus ook de staat, moest afgeschaft worden. Hij stond vijandig tegenover het staatssocialisme van Marx met wie hij ook brak. Hij hoopte op een anarchistische opstand. Een begin van de opstand vond plaats in Bologna (1874), maar liep uit op een mislukking. Bakoenin trok zich terug uit het politieke leven nadat hij zijn ideeën had opgeschreven in "Staatssocialisme en Anarchie" (1873). Hierin toonde hij aan dat elke macht, zelfs de revolutionaire, het volk verraadt wanneer zijn zich wil handhaven.
Kropotkin (1842 –1921) was een Russisch revolutionair. Hij was officier in Siberië toen in 1864 de Poolse opstand uitbrak. Hij was het eens met de ideeën achter de opstand en nam ontslag uit het leger. Hij hield zich bezig met onderzoek op het gebied van mens- en dierkunde, Hij organiseerde verschillende wetenschappelijke expedities naar o.a. Siberië en Mantsjoerije. In 1872 werd hij lid van de internationale. Omdat hij zich niet kon verenigen met de leer van Marx zei hij dit lidmaatschap weer op. Hij werd één van de theoretici en propagandisten van het wetenschappelijk anarchisme. In 1874 werd hij gearresteerd maar wist naar Engeland te ontkomen en vervolgens naar Zwitserland en Frankrijk. Hij werd nog verschillende keren gevangen genomen of uitgewezen. In 1917 keerde hij terug naar Rusland maar speelde daar geen enkele rol meer. Hij heeft wel veel wetenschappelijke werken nagelaten.
Bijlage E.Literatuurlijst
Evert Zandstra, Het leven van Domela Nieuwenhuis, Amsterdam, 1968.
Albert de Jong, van christen tot anarchist, en ander werk van Domela Nieuwenhuis, Utrecht, 1970.
Jan Meyers, Domela een hemel op aarde, Amsterdam, 1993.
Gerben S. Oegema,De messiaanseverwachtingen ten tijde van Jezus, Baarn, 1991.
J.C. Boogman….[et al], Geschiedenis van het moderne Nederland, Houten, 1988.
Dr. A.C.J. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903, Nijmegen "z.j.".
Heering, De Zondeval van het christendom, Utrecht, 1981.
Dr. G. de Ru, De verleiding der revolutie, Kampen "z.j.".
E. Morin, Jezus een gebeurtenis, Hilversum, 1980.
Christenanarchisme De As 95, juli – september 1991, Moerkapelle, 1991.
Fryslân, maart 1999, uitgave van het Fries Genootschap, Leeuwarden 1999.
Gedenkboek, 40 jaren Nederlandse Landarbeidersbond 1900 –1940, Utrecht, 1940.
Albert de Jong, Domela Nieuwenhuis, Amsterdam 1981.
Auke Vondeling, Ferdinand Domela Nieuwenhuis en zijn betekenis voor de veenarbeiders, Gorredijk, 1999.
Marita de Jong, De Koerier, Us Ferlosser kan ook nu nog als inspiratiebron dienen, Heerenveen, 1999.
|